14 Dagen langs en door het Parc des Ecrins
'Ervaring opdoen' heet dat dan met een mooi woord...
Mijn plan om in het Parc des Ecrins te trekken lag al lang vast, sinds 2006 om precies te zijn. Ik had zelfs het waanzinnige idee opgevat om met drie dagen (solo) ervaring in de Ardennen, op combats van 50 euro en met een slechte rugzak in de zomer van 2007 deze Franse Alpen in te gaan. Gelukkig hebben mijn ouders mijn toen tegengehouden, want de zuidelijke GR AE/15 die ik als alternatief liep, leerde me erg veel over mijn materiaal (niet goed genoeg) en mezelf (te weinig conditie/wandelervaring). Had ik die zomer wel naar de Ecrins getrokken had het een compleet fiasco geweest. Eén jaar later had ik stevig geïnvesteerd in mijn basisuitrusting (schoenen, rugzak, kookgerief, kledij), hard aan mijn conditie gewerkt (3 maal per week twee uur conditietraining bestaande uit lopen, zwemmen en touwtje springen in de aanloop naar mijn tocht) en dit jaar zouden het ‘de echte bergen’ worden. Ook dit keer solo, wat me verbaasde en bezorgde blikken opleverde bij sommige mensen, maar mijn plan lag vast en het feit dat niemand mee wilde, zag ik eerder als dikke pech voor de thuisblijvers dan als een probleem voor mezelf.
Uitrusting ok, conditie ok, wandelervaring hopelijk redelijk. Nieuw probleem, geen ervaring met routes in het hooggebergte. Hoeveel hoogtemeters ik aankon, ik had er werkelijk geen idee van. De enige leiddraad die ik had, waren tochten en plannen van wandelaars met veel meer ervaring dan mij, wat gecombineerd met wat zelfoverschatting tot een compleet waanzinnig dagschema leidde, misschien haalbaar voor wie de Pyreneeën oversteekt, maar niet voor onderstaande, zo zou al snel blijken…
Ik heb een aantal rustdagen genomen, maar die waren in het algemeen zo enorm saai dat ze de moeite niet zijn uitvoerig te bespreken of een apart stukje verdienen. Fragmenten uit mijn dagboek zijn cursief.
Verslag van Bruno M, 14 september 2008.
Dag 0: Diamond city – Gap: ‘Met 6 in een kotje twee maal de gemiddelde WC is toch niet alles…’
’s Avonds in Antwerpen (en dus uitgeslapen) vertrokken met toch enige zenuwen. Ik begon er aan te twijfelen of het allemaal wel zo verstandig was wat ik van plan was, maar er was nu eenmaal geen weg terug meer. De rugzak woog meer dan 25 kg (bijna 30 schat ik). Grootste boosdoener: toerbrood voor 14 dagen, bijna 6 kg aan middagmaal! Ik heb een grote eetlust en op trektocht is dat alles behalve een voordeel. Ontbijt en avondeten had ik gelukkig maar voor een week bij. Wat (achteraf) overbodige rommel zorgde voor de laatste zware grammen. De overstap tussen Nord en Austerlitz ging vlotjes. Een uur en drie kwartier is tijd zat. Minder was wel de louche kerel die mij in Nord direct vroeg of ik geen metroticketje wilde kopen van hem (oui oui, ils sont vrai m’sieur!) en die mij nogal opvallend in het oog hield. Ik was er me pijnlijk van bewust dat ik net zo goed een gigantisch bord met ‘tourist’ kon dragen, maar ondanks alles (vb: bebloede medepassagiers met gekneusde vuisten) toch veilig geraakt waar ik moest zijn. De nachttrein was benepen (zie de tussentitel), warm en ik lag naast een soort menselijke blaasbalg, maar toch redelijk geslapen.
Dag 1: Gap – Rouanne Haute:‘Op papier en Google Earth allemaal leuk, tot je voor die berg staat…’
Klimmen: 865 meter
Dalen: 0 meter
Met ruim een uur en half vertraging (hopelijk had ik geen vertraging op de terugweg want dat zou wel een probleem zijn) rond 8.30 uur in Gap aangekomen. Na wat reorganisatie is het te voet richting Ancelle. De eerste en enige bus rijdt pas rond 13 uur en ik heb een hekel aan wachten op openbaar vervoer, dus ga ik stappen. Eerst de N85 naar het noorden en dan de D944 naar het oosten. Het Parc des Ecrins staat ook al op de borden. Het is nog relatief vroeg maar al bijzonder warm en ondanks verwoedde liftpogingen neemt niemand me mee. De bergen in de verte komen steeds dichterbij, en een ‘f*** ik ga dit echt doen’ gevoel maakt zich van mij meester.

Pas voorbij de Refuge de Napoleon geeft een vriendelijke chauffeur me een lift naar le Château d’Ancelle. Het is één uur ondertussen (misschien had ik toch beter op de bus gewacht), ik heb al bijna 4 uur gestapt in de zon en ik ben pas aan mijn startpunt. Na mijn middageten trek ik de vallei in richting Col de la Coupa (2323 m). Ik vorder maar moeizaam. Mijn hart slaat veel te snel naar mijn goesting, en de droge rivierbedding die ik een stuk volg is een bakoven.

Mijn rugzak weegt als lood en al vrij moe kom ik om 16.15 aan aan de voet van de Col de la Coupa. Ik ga nog een stukje naar boven maar besluit mijn tent toch maar op te zetten aan deze kant van de berg. Volgens een bordje is het 2 uur naar de col (zonder rugzak ongetwijfeld) en daarna nog even lang naar beneden.
Het oorspronkelijke idee om na de afdaling nog even de Vallée de Charges in te trekken is nog waanzinniger. Change of plans! Nu al…tot zover dus de ambitie om voor een keer eens het vooropgestelde plan te volgen. Ik zet mijn tent op op de oever van de Rouanne Torr, en buiten massa’s vliegen en wat muggen heb ik geen last van ander insektengespuis. Dat er geen teken zitten is een enorme geruststelling (mijn record staat op 13) aangezien ik die krengen aantrek (understatement).
Dag 2: Rouanne Haute – Col de la Coupa – Les Gourniers: ‘Voeleej voe prendre uun foteauw de noe? Eauw kijk, hij secht dattie het vel effie sal doen!’
Klimmen: 729 meter
Dalen: 891 meter
Om 7 uur opgestaan, traag ingepakt zoals gewoonlijk (ik weet echt niet hoe ik dat sneller kan doen vooruitgaan) en rond 9 uur vertrokken naar de col, die 2323 m. hoog is. Het eerste echte klimwerk, zo’n 800 meter, en ik had geen idee hoe ik het zou doen. Op zich niet slecht zo bleek. Halfweg verlies ik het pad even, en steek ik de groene vallei door naar een ander pad tegen de bergwand dat duidelijk op de kaart te zien is. Onderweg kom ik ook een kudde schapen en herdershonden tegen die me snel duidelijk maken dat ik best zo snel mogelijk doorloop. Ik ben namelijk midden in de kudde verzeild.

Vooral de warmte zorgt voor problemen. Zelfs onder de boomgrens is er weinig schaduw omdat de zon erg hoog aan de hemel staat. Eenmaal boven de boomgrens zijn er de stenen die veel warmte afstralen. Boven de 2000 meter staat er een heerlijk frisse bries. Ik voel aan mijn longen dat je hier niet op zeeniveau zit, maar dat kan ook de inspanning zijn. De vliegen zijn ook hier present, net zoals de stekende, grote exemplaren, nl. de dazen. Ik kom ook een groepje Fransen uit Marseille tegen, te horen aan hun haast onverstaanbaar accent (waarover later meer). ‘Aaah Belge, nous aimong les Belges! Le Geret [Gerets, Coach Olympique Marseille], il fait beng hein! Et Raymond le science! [Raymond Goethals die de Champions League won met OM]’. Jep, ik val hier in goeie aarde.

Om stipt 13 uur kom ik boven aan, onder ruime belangstelling van de dagjestoeristen die langs de andere kant omhoog zijn gekomen. Het uitzicht is prachtig, en de gedane moeite om het te kunnnen zien maakt het extra mooi.

Na een uur rust, veel foto’s (ook voor een hollands gezin, zie boven) is het terug naar de vallei. Natuurlijk onderschat ik de weg naar beneden. Mijn knieën zien af, en ik maak me kwaad op een hollands ventje (waarvan ik even daarvoor een foto had genomen) dat een grote steen naar beneden doet donderen die me op een meter mist. Ik had bijna m’n reisbijstand kunnen gebruiken. Als er een soort mensen is dat ongevallen veroorzaakt in de bergen is het diegene die niet weet waarmee ze bezig is…meer voorbeelden later. Ik doe er ruim 2.5 uur over om 900 meter te dalen. Tegen het einde slaat de vermoeidheid toe en sla ik mijn zwakke linker enkel maar liefst 4 keer om. Ik ben helemaal leeg als ik in Les Gourniers aankom. Die vallée des Charges zal voor morgen zijn. Change of plans…again. Ik wandel naar de camping die even ten zuiden van het gehucht ligt en geniet van een douche en een gesprek met mijn franse buren.
Het enige hinderlijke zijn de zwermen vliegen die enkel op mij lijken af te komen.
Morgen de Col des Charges over? Volgens de buurman is er een pad…we zullen zien.

Mijn belangrijkste inzicht tot dusver:
‘Ik begin nu ook in te zien dat de enige manier om een geoefend en goed bergwandelaar te worden bestaat uit: veel bergwandelen. […] Je mag zoveel baantjes trekken als je wilt […] maar een berggids die alleen maar wandelt zal toch steeds beter en sneller wandelen.’
Dag 3: Les Gourniers – Cabane de Charges: ‘Ik suck zo hard in afdalingen…’
Klimmen: 774 meter
Dalen: 306 meter
Het plan voor vandaag: naar de Cabane de Charges op 2200 meter hoogte. Daarna de Col des Charges taxeren (er staat geen pad op de kaart, zelfs geen stippellijntje) en eventueel oversteken. Het pad door de vallei de Charges stijgt geleidelijk. Het landschap wordt met elke kilometer spectaculairder, en eenmaal het pad richting zuid-oosten is afgebogen heb je een prachtig zicht op de vallei met daarboven o.a. de Mourre Froid (2993 m.).

Na een pittig laatste klimmetje sta ik rond het middaguur aan de Cabane de Charges. Wat nu? De col de Charges over? Van een pad of steenmannetjes geen spoor en afgaande op wat ik zie met mijn ogen en op de kaart is het niet eenvoudig die kam over te steken. In elk geval lijkt het me te laat op dag (mogelijke warmteonweders in het achterhoofd houdend) om nog aan de klim (en de afdaling) te beginnen. Na een tijdje zoeken vind ik een vlak plaatsje (waar de koeien me niet wegjagen) met water in de buurt waar ik straks m’n tent kan opslaan. Ik neem ook een optisch verschijnsel genaamd irisatie waar, een soort regenboog ín een wolk.

Het viel op hoeveel stapelwolken er zich op korte tijd vormden en uit de weercursus die ik bekeken had, had ik geleerd dat stapelwolken in de bergen voor 14 uur ’s middags meestal onweer betekenen. Bovendien waren er in het westen grote onweerswolken te zien, met alles erop en eraan (aambeeld, etc). De kom waar ik me in bevond bood geen enkele beschutting en mijn tent had een te hoog punt gevormd in de omgeving om veilig te zitten. Dus, terug de laatste klim naar beneden en op een plekje dat ik het heengaan al opgemerkt had als mooie bivakplaats mijn tent opgezet. Het enige nadeel waren al de puntige stenen die uit de grond staken en die dus eerst opgegraven moesten worden. Het onweer die avond viel goed mee, eigenlijk niet de moeite af te dalen, maar zoiets is niet te voorspellen.
Voor iemand die voor de eerste keer in de bergen vertoeft, is het weer en hoe zich gedraagt iets volslagen nieuw. In ons platte landje komen de wolken meestal van ergens, en gaan ze ergens naartoe. Hier worden ze gevormd boven je hoofd en blijven ze gewoon hangen.
’s Avonds besluit ik de Col de Charges te laten voor wat ze is (net zoals de rest van mijn waanzinnig plan) en de volgende dag de Col de la Régue te doen.

Dag 4: Cabane de Charges – Col de la Régue – Réfuge des Charançons: ‘Ik heb schijt aan afdalingen.’
Klimmen: 806 meter
Dalen: 1131 meter
Rond kwart voor zeven opgestaan en twee uur later op weg (opnieuw) naar de Cabane de Charges. Drie kwartier later aan de hut, dankzij het feit dat ik uitgerust ben en een aanzienlijk deel van de klim nog in de schaduw ligt. De klim naar de col is erg mooi en ik krijg de eerste marmotten te zien. Lastig is wel dat het hier overal vol koeienmest ligt, en dat deze beesten de gewoonte hebben hun gevoeg te doen terwijl ze drinken, zodat de oevers van de stroompjes vaak voorzien zijn van de nodige vlaaien. Water drinken zonder Micropur Forte erbij te doen kan ik dus wel vergeten. Gelukkig smaakt het niet zo slecht als het ruikt.

De markering gebeurt door middel van een rood-paarse ruit en steenmannetjes. Enkel het laatste stuk van de puinhelling is erg lastig want: zeer stijl. Hier uitglijden betekent dat je pas 50 a 100 meter lager tot stilstand komt, al dan niet zwaar gewond. Rond 12 uur sta ik op de col op 2706 meter (hoger ben ik nog nooit geweest), die eigenlijk teleurstelt. Het is hier erg desolaat en kaal, vergeleken met bv. de Col de la Coupa, die veel groener was en een beter uitzicht bood. De vallon du Tissap waar ik naar beneden moet, ligt in een soort kronkel, zodat je niet bijzonder ver kan zien. Ondertussen is er zich achter mij opnieuw een onweer aan het vormen, dat mijn richting uitkomt. Snel verder gaan zonder middageten is dus de boodschap.

De markering tijdens de klim was weliswaar spaarzaam, maar aanwezig. Tijdens de afdaling is enkel het pad over de puinhelling goed zichtbaar. Daarna verdwijnen de ruiten en steenmannetjes om de haverklap. Soms is er wel een mannetje te zien, maar is er geen beste route zichtbaar, soms is er helemaal niets te zien, zodat ik me met behulp van de kaart en soms op goed geluk naar beneden geef. Ik stuit nergens over onomkoombare obstakels, maar de stijle hellingen, afgewisseld gras met stenen en putten eronder en puinhopen eisen het maximum van mijn heupen en knieën. Ergens onderweg sla ik een stuk toerbrood naar binnen, terwijl het achter de col al begint te rommelen. Het feit dat het gras tussen de steenmannetjes zo goed als onbetreden lijkt, doet vermoeden dat er hier heel weinig mensen voorbij komen. Gsm ontvangst is er ook al niet, op de benen blijven is dus de boodschap. Met veel moeite bereik in de Cabane du Tissap (2100 meter). Vandaaruit is het nog 600 meter dalen naar de refuge, zij het nu wel op een duidelijk zichtbaar en relatief begaanbaar pad. Het hoge tempo dat ik aanhoud begint echter zijn tol te eisen en uit de vele keren dat ik bijna uitglijd of mijn linkervoet omsla, blijkt dat ik zowel fysiek als mentaal moe begin te worden. Rond 16.20 uur kom ik aan bij de réfuge. Op dat ogenblik barst er een zwaar onweder los. Gelukkig is er nog een kamer vrij, en ik kan vanavond mijn eigen potje brouwen op het balkon. De waardin is bijzonder vriendelijk, ik krijg gratis koffie en voor een groep geïnteresseerde gasten mag ik in mijn beste Frans uitleggen waarom ik zo zot ben hier alleen rond te wandelen (wat er bij velen niet echt lijkt in te gaan). Twee uur later arriveert er een Belgisch-Nederlands koppel die tijdens het onweer op een col zaten, ze hadden hagel gehad maar waren beneden geraakt. De man vertelde me dat ze eens moesten beginnen met op tijd te vertrekken en niet pas ’s middags. Ik dacht net hetzelfde.
Die avond maken de aanwezige Fransen bijzonder veel lawaai (een ervan breekt de douche nog even af) tot 11 uur ’s avonds. Ondanks dat slaap ik toch goed op mijn Thermarest matje dat ik op de boechtige matras heb gelegd.
Dag 5: Réfuge des Charançons – Col des Tourettes – Le Saut du Laire: ‘Precies de green van een golfterrein, biljarttafelvlak, weinig stenen and the best goddamn view you’ll ever get…’
Klimmen: 1007 meter
Dalen: 862 meter
Na ’s ochtends om 6.30 uur wraak genomen te hebben op de Fransen door luidrichtiger dan nodig in te pakken, vetrek ik om 7.15 naar de voet van de Col des Tourettes (2582 m.). (Achteraf blijkt dat ik mijn regenhoes vergeten ben in de réfuge, dus als iemand daar nog zou passeren, vraag gerust achter een vergeten regenhoes van Active Leisure en stuur een mailtje.)
Om 8 uur sta ik aan het begin van de klim. Ik werk eerst m’n koude havermoutpap met héél veel moeite naar binnen (dat nemen we dus niet meer mee) en om 8.30 uur begin ik eraan. Het wordt steeds warmer en het uitzicht steeds mooier.

Een groep franse réfugetrekkers (dezelfde lawaaimakers van gisterenavond vermoed ik) met kleine, hemels lichte rugzakjes zit net onder mij. De klim is veel langer dan je zou denken, mede door het feit dat vanaf je boven de boomgrens zit je geen referentiepunten meer hebt en afstanden inschatten erg moeilijk wordt.

De afstand tussen mij en de Fransen wordt groter (ik geef het toe, mijn ego stond op het spel) en om 11.45 uur sta ik boven. Ik zie ook nog enkele gemzen wegvluchten, ver onder mij, maar slaag er niet in een goeie foto te maken. De Fransen hadden waarschijnlijk meer geluk. Boven heb je een mooi zicht op de Vallon du Tissap en op het noorden en het westen van het park. Opnieuw ziet het weer er niet fantastisch uit, en achter de kam ten oosten van mij troepen donkere wolken samen. Opnieuw geen middageten boven dus, maar een halfuurtje foto’s nemen, wat noten eten, wat drinken en dan naar beneden.

Wie er ook naar beneden gaat is een zogenaamde ‘bergloper’ [link], een lange afstandsloper in de bergen. Zwaar respect voor deze kerel, vooral als hij op z’n horloge kijkt en in een vlotte draf naar beneden loopt. Tijdens de afdaling steekt hij me nog eens voorbij, ik vermoed dat hij de Col des Terres Blanches nog even heeft meegepikt. Onderweg naar le Saut du Laire kom ik ook nog vrij veel dagtoeristen tegen, die ondanks het feit dat het bijna zwart zit boven de col toch naar boven gaan. Ook een moeder met twee kleine koters kruist mij. Mij niet gelaten als ze daarboven in een onweer zitten maar je vraagt je toch af waarom men niet gewoon naar het weer kijkt in plaats van blind te vertrouwen op het weerbericht.
Rond 15.30 passeer ik le Saut du Laire, een enorm toeristische plek, waar busladingen Fransen rondlopen die zich komen vergapen aan de zo goed als tamme marmotten. Net Planckendael, inclusief bleke benen en bleirende koters…zucht.
Positief ik naast het riviertje een mooi plekje vind, helemaal vlak, kort gras, en, met alle dagtoeristen de vallei uit, een prachtig uitzicht. Tijdens m’n avondmaal stoot ik iets om en zie een klein groepje vrouwelijke gemzen verschrikt de heuvel aan de overkant van het riviertje opspurten. Het zouden de laatste gemzen zijn die ik te zien krijg.
Als ik ’s avonds in mijn tent lig, word ik me ineens heel hard bewust van mijn eenzaamheid. Ik ben hier echt alleen. Knop omdraaien en gaan slapen.

Dag 6 en 7: Le Saut du Laire – Orcières: ‘Huh, du pain ? … Aaah, du peng!’
Klimmen: 0 meter
Dalen: 456 meter
Vandaag is een soort van halve dag. Ik besluit om naar Orcières te gaan. Nu ik er op terug denk had ik misschien verder noordwaarts kunnen gaan via het Grand Lac des Estaris richting Dormillouses en zo verder het ruigere stuk van de Ecrins binnen. Op het moment zelf zag ik dit echter niet zitten, misschien omdat ik me niet zo fris voelde, misschien omdat het dan moeilijk zou worden terug in Gap te geraken? Ik heb geen idee eigenlijk. Bevoorrading was eveneens een punt waarmee rekening gehouden moest worden. In mijn oorspronkelijke, onhaalbare plan, was ik van plan te bevoorraden in Ailefroide, waar verschillende outdoorwinkels en een Spar zijn. Aangezien ik daar niet geraakte, moest ik ofwel naar de oostkant van het park afbuigen, ofwel aan de zuidrand blijven. Ik had namelijk maar ontbijt en avondeten bij voor een week. Overpeinzingen achteraf, als ik dat had gedaan dan…allemaal gemakkelijk gezegd natuurlijk. Feit is dat mijn oorspronkelijke idee te zot was om los te lopen, en dat ik daardoor nu mijn toevlucht moet zoeken tot B en C plannen. Dikke pech, mijn eigen domme fout, ervaring heet dat dan met een mooi woord. De enige manier om het te leren is door het te ondervinden, of met een groep mee te gaan maar als je in groep reist, is de ervaring veel minder puur heb ik ondervonden. Solo staat er niets tussen jezelf en de natuur, het landschap, de bergen waar je doorheen trekt. Dat laatste bastion van menselijk contact, dat een soort van grens optrekt tussen jezelf en de omgeving is er niet. Niemand om mee te praten buiten jezelf en niets om je mee bezig te houden dan met je omgeving, wat dus, zoals reeds gezegd, leidt tot waarschijnlijk de meest ‘pure’ ervaring die mogelijk is. Als je plan lukt, is het jouw prestatie, mislukt het is het je eigen fout, geen ergernissen en geen excuses.

Meest opmerkelijke gebeurtenis tijdens de rustdag: tijdens het terugwandelen naar de camping schuif ik op m’n sandalen uit en haal mijn linker grote teen zwaar open. Sandaal vol bloed en de rest van de tocht mijn teen moeten intapen. Typisch.
Een bijzonder punt van ergernis is niet het feit dat ze hier Frans met een zwaar zuiders accent spreken (waarbij ze de nasale klinkers uit het standaard frans nogal apart uitspreken, bien wordt bing, pain wordt peng, point wordt pweng, etc) maar dat ze mijn standaard Frans (mijn Frans is niet geniaal maar mijn uitspraak is best ok) niet lijken te verstaan. Op het einde van m’n twee weken vroeg ik naar een witte doos in een winkel, blanc dus. De winkelier bekeek me nogal vreemd, en riep plotseling uit ‘bleng!’, en ging op zoek naar een doos.
Dag 8 & 9: Orcières – Refuge du Tourond: ‘Bakoven!’
Met veel moeite van de camping weggeraakt rond 10.30 uur. Van aan Orcieres tot aan het begin van de vallée du Tourond aan les Fermons (zo’n 10 km) loop ik hoofdzakelijk door droge rivierbeddingen. Er is geen meter schaduw en de temperatuur ligt (denk ik) een eind boven de dertig graden. Rond de middag trek ik de vallei in. Ik heb het gevoel dat het beste er fysiek al af is voor vandaag, na amper 2.5 uur wandelen. Warmte is absoluut mijn ding niet.

De vallei loont wel zwaar de moeite met vooral de slagschipachtige Pic du Tourond (2742 m) die de show steelt. Problematisch is wel dat er maar weinig (lees: geen) goeie bivakplekjes voorhanden lijken te zijn. Vanuit de Torrent du Tourond reizen de flanken van de bergen vrij stijl omhoog, geen oevers en geen plateautjes.

Eenmaal aan de refuge du Tourond (met Tibetaanse vlag) rond 15.30 uur informeer ik of er nog kamers vrij zijn, helaas niet. Er is een schoolklas op bezoek en alles is volzet. Ik mag wel als ik wil mijn tent opzetten op een plateautje voor de hut. Een aanlokkelijk aanbod. Hogerop lijken de bivakplekken schaars te zijn (wat bevestigd wordt de volgende dag) dus ik besluit mijn tent hier te zetten. Er is stromend water en koude pintjes (die keihard aankomen, de hitte waarschijnlijk).

De rest van de dag is het vanop het terras genieten geblazen, hoewel ik de zon zoveel mogelijk probeer te mijden. Uiteindelijk heb ik niet zoveel gedaan deze dag, hoewel ze wel een stuk vermoeiender was dan de cijfers doen vermoeden. De hutwaarden zien er mij alternivo’s uit (de tibetaanse vlag en Free Tibet stickers wijzen mee in die richting) en het zou mij niet verbazen als zij het zijn die op de kerk die de voorkant van de IGN kaart van dit gebied siert de woorden ‘Ni Dieux, Ni Maître, Ni Guerre’ hebben gekalkt. Ik kan ze geen ongelijk geven.
Morgen steek ik de Col de la Velasque (2487 meter) over, en sla hopelijk mijn tentje op in Chaillol. Wie weet kan ik de dag erna met een lichte rugzak wel de Vieux Chaillol (3163 meter) doen… Of, ik steek na de col de la Velasque ook de Col de la Pisse (2354 meter) over en ga naar de Cabane du Londonnière. We zien wel.
Klimmen: 455 meter
Dalen: 0 meter
Dag 9: Refuge du Tourrond – Col de la Velasque – Chabottes: ‘Zonnesteek? Hittekramp?’
Rond 8.30 uur vertrokken aan de hut. De kaart vertelt me dat er onderweg stroompjes zat zijn. Twee liter water zal dus wel genoeg zijn. Vanuit de hut daal je eerst een stukje af naar de stroom, daarna is het door een bos omhoog naar de waterval. Boven deze waterval waren er wel enkele bivakplekjes te vinden, maar niets dat echt beter was geweest dan m’n plateau’tje aan de hut. De klim naar de col is vrij geleidelijk, met in het midden een vrij zwaar stuk waarbij het pad regelmatig weggeslagen is door smeltwater. Veel van dat water is er echter niet te vinden en ik hoop dat er verderop nog wat tegen te komen want het is eens te meer bijzonder warm. Eenmaal boven de rotsbanden heb je een prachtig uitzicht naar het oosten met in de verte de prominente getande vorm van (ik denk) de Pic de Parieres (3076 meter). De vallei zelf wordt gedomineerd door de een soort van rotswal aan de zuidkant van de vallei en de Pic du Tourond, een fantastische berg, die uiteindelijk naar de top van de Vieux Chaillol leidt. Deze laatste is echter niet te zien. Ook opmerkelijk is een vreemde rotsformatie in het noorden van de vallei, die door z’n afgeronde vormen afsteekt tegen de rest van de rotsen.

Bij de aanvang van de puinhelling wordt ik voorbij gestoken door een (lichtbepakt) Frans koppel, uitgedost in een soort van koloniale safari outfit, de man met bijpassende krulsnor. Verderop kom ik ook een herderin tegen, die met haar drie honden loodrecht ophoog komt.

De fotocamera smult maar ondertussen heb ik, ondanks de watererosie op de rotsen, nog steeds geen water gevonden. Alles lijkt opgedroogd te zijn. Rantsoeneren is dus de boodschap en hopelijk kom ik tijdens de afdaling snel iets tegen.

De col zelf is een van de mooiste van heel de tocht, in het oosten opnieuw de Pic du Parieres, met ook de Chaillol zelf die zich nu blootgeeft, en natuurlijk heel de vallei du Tourond die aan je voeten ligt. In het zuidwesten de Champsaur met de Puy de Manse en daarachter de kom waarin Gap ligt. In het westen zie je het massief gedomineerd door de Pic de Bure (2708 meter) met het observatorium vrij duidelijk zichtbaar.

Ondertussen was het 12.10 uur. De herderin komt op de col blijkbaar even haar telefoontjes doen. Na die afgehandeld te hebben steekt ze een zelfgerolde sigaret op en even snel als de naar boven wandelde gaat ze terug naar beneden.

Tijdens de afdaling neem ik een verkeerde afslag, die op de kaart niet in het rood is aangeduid, maar met een dun stippellijntje. Blijkbaar zijn dat ook paadjes, alleen lijken ze op de kaart als twee druppels water op grenzen van grondgebieden van gemeenten. Niet echt duidelijk dus. Aangezien dit pad er verderop nogal stijl uitziet, ga ik terug. Een half uur verloren. Twee druppels water is ook nog wat er in mijn drinkfles zit. Het is dus hoog tijd dat ik wat water vind, 5 uur wandelen in de blakke zon met twee liter water kan niet gezond zijn. Niet dat er niets is, maar het is bijna altijd onbereikbaar. Gelukkig kruist het pad eindelijk een klein watervalletje, waar er gedronken en gevuld kan worden. Mijn linkervoet begint tijdens de afdaling opnieuw te verzwakken, misschien dat een steunverband geen slecht idee is, want ik doe mezelf een paar keer serieus pijn.

Rond 16 uur ben ik dan beneden, en is het nog een dik uur naar de camping in Chaillol. De weg is vrij saai en loopt door Chaillol 1600, een skidorp dat getuigt van een wonderlijke architectonische visie op hoe nieuwbouw best wordt ingepast in het landschap…
Eenmaal in Chaillol begint de twijfel toe te slaan, de camping staat nergens aangeduid, in de verte zijn er geen caravans te zien…Het asfalt is gesmolten, het is nog steeds bloedheet en schaduw is hier minimaal. Mijn vrees was terecht, de camping op de kaart is verdwenen en het dichtstbijzijnde alternatief is Chabottes, zo’n 6 km verderop. Ondertussen ben ik 8 uur onderweg en heb ik dringend behoefte aan koelte en rust. Aangezien wederom niemand mij een lift geeft, is het nog ruim een uur over het gloeiende asfalt. Ik krijg krampen, mijn nek verbrandt voor de eerste keer in meer dan een week en ik heb schrik dat ik een zonnesteek aan het oplopen ben, of dat het al zover is maar dat ik nog niet doorheb. Uiteindelijk, om 18.30 u dan op mijn bestemming aangekomen in Chabottes. Veel water gedronken, een koude douche genomen, alles opgezet en gegeten. Ik denk eraan dat ik 8 uur niets gegeten heb. Een combinatie van de hitte en dat gebrek aan eten verklaart misschien de zware krampen waar ik de rest van de avond last van heb. In elk geval kan zo in het rood gaan niet gezond zijn. Morgen slaap ik uit.
Aangezien het begin van de Vieux Chaillol nu meer dan 2 uur stappen is, kan ik mijn idee om deze te beklimmen op mijn buik schrijven. Het was leuk geweest om met wat eten, kookgerief, slaapzak en matje zo ver mogelijk te geraken op deze berg en dan te overnachten in de cabane nabij de col de la Velasque en de volgende dag terug te keren. Dat gaat nu niet lukken denk ik.
Tijdens de recuperatiedag op de camping ’s avonds een zwaar onweer gehad, maar op de ochtend van dag 11 is het alweer schitterend weer. Scott de poolreiziger was eigenlijk wel een beetje een knoeier. En mijn andere boek over Shackletons poolexpeditie heb ik al eens gelezen in een ver verleden. Pech hebben.
Klimmen: 887 meter
Dalen: 1537 meter
Dag 11 & 12: Chabottes – Pont-du-Fossé – Le Pallastre – Pont du Fossé
Klimmen: 1155 meter
Dalen: 1155 meter
Het einde van mijn twee weken ben ik van plan nog twee stevige dagtochten te doen vanuit een camping in Pont-du-Fossé. Op het gemakske wandel ik langs de rivier over een vochtig en warm pad naar dit dorpje, dat veruit de meeste faciliteiten heeft van alle dorpjes die ik al ben tegengekomen: bakker, slager, kruidenier, apotheek, banken, een outdoorwinkel, etc.
Camping Le Diamant is een ware verschrikking, dat de baas me al direct vraagt of ik geen geleide toer wil, maakt me argwanend en mijn rugzak zien ze blijkbaar ook liever aan de receptie staan. De camping is enorm ongeïnspireerd, met wiskundige regelmaat is alles opgedeeld in vierkanten, of de plaatsjes mooi zijn was blijkbaar niet van belang. Centraal ligt een soort van grasveld dat nog het meeste wegheeft van een voetbalveld waarrond caravans gezet zijn. Combineer dat met de schandalig hoge prijs van 12 euro per nacht, en het is duidelijk dat we ergens anders heen gaan. ‘Cadre agréable…’ mon oeil!
Gelukkig is er nog de mooie camping municipal waar het erg rustig is en het slechts vijf minuten stappen is naar het dorp. Er zullen de komende dagen yoghurtjes en fuit met hopen gegeten worden.
Ik sta naast een Belgisch koppel uit Beveren dat komt rotsklimmen in de omgeving. Ik ben zelf ook zwaar aan het twijfelen om niet te beginnen boulderen of klimmen. Op een of andere manier lijkt dit gewoon de volgende logische stap, en ik lees al heel mijn leven boeken over bergbeklimmen, misschien dat het tijd is die passieve hobby actief te maken? Iets om over na te denken, of misschien net niet, ik denk altijd te veel na.

De dag erna is de Palastre aan de beurt. Na nog wat inkomen te doen begin ik om 9.45 aan de klim met enkel water, eten, EHBO, een jas en wat noodgerief. Een heerlijk gevoel! Ik maak een grote bocht naar links op de uitloper van de berg in plaats van recht naar de col te gaan. Buiten wat mooie foto’s levert dit me niets op, buiten misschien een extra uur onderweg zijn. De klim naar de Palastre is afwisselend geleidelijk en stijl. Het is vooral zweten in de bossen omdat er daar geen wind staat maar de zon wel tussen de bomen heen schijnt.

Eenmaal op de col blijkt dat je helemaal naar de top van de Palastre (2278 m) kunt, zodat je een schitterend zicht hebt op de hele Champsaur vallei en op de Vieux Chaillol aan de andere kant.

Lunch op de top, waarbij het uitkijken is geen vliegen op te eten aangezien ze ook hier in massale aantallen aanwezig zijn.

Rond 17 uur ben ik terug op de camping, en alles staat er al! Toch leuk om niet heel je hebben en houden te moeten uitpakken en opstellen.
Dag 13 & 14: Pont-du-Fossé – Petite Autane kam – Pont-du-Fossé – Gap
Deze dag verloopt in hetzelfde tempo als gisteren. Rond 10 uur vertrokken richting Petite Autane (2519 m) en de Cuchon (2002 m). Het overgrote deel van de klim doe je door bossen, waarbij de belangrijkste attractie een verlaten dorp is, dat volledig aan de natuur is overgelaten. Blijkbaar is het ook populair bij de plaatselijke bierdrinkende jeugd en zwervers. De klim is weinig interessant. Wat me vooral zorgen baart is het weer, dikke wolkenvelden blijven hangen boven de omringende bergen, en ik heb schrik voor een onweer, niet vanwege de bliksem, maar omdat mijn slaapzak hangt uit de waaien op de camping.

Ik kom uit op de kam tussen de Cuchon en de Petite Autane. Je kan wel helemaal naar boven op die laatste maar niet langs deze kant van de top. Ik erger me aan het afval dat mijn voorgangers hier hebben achtergelaten: snoeppapiertjes, verpakkingen van Mars-achtige toestanden. Ik steek ze in mijn rugzak en na de gebruikelijke foto’s volg ik het lastige pad over de kam naar de Cuchon. Gelukkig heeft men op bepaalde plaatsen staaldraad gespannen want het pad is met momenten heel erg smal en de afgrond ernaast diep genoeg om ledematen te breken. De Cuchon zelf is weinig interessant, een skilift staat weg te roesten en een oud panoramabord is weinig verhelderend. De afdaling doe ik zo snel mogelijk langs vrij brede weggetjes, ik heb nog steeds geen goed oog op het weer, maar als ik tegen 17 uur weer beneden sta, is het nog steeds droog en dat zou ook zo blijven de komende dagen.

Klimmen: 1127 meter
Dalen: 1127 meter
De laatste dag ruim ik en eet ik alles op. Mijn benzine krijg ik er niet allemaal door gejaagd (wat op zich een goede zaak is) en mijn zoektocht naar een stuk karton levert weer hilarische communicatieproblemen op (zie boven). De andere Belgen gaan een korte meerdaagse doen, net nu het weer lijkt te gaan omslaan. ’s Avonds lig ik nog even wakker vanwege de geitenrace in het dorp (I kid you not). Ook hinderlijk is dat ik de laatste twee dagen volledig ingesloten ben geraakt door andere kampeerders. ‘Nous ne voulons pas obstruer votre tranquilité’ maar wel op twee meter van mij komen staan met een busje…Aan de andere kant stond een bijzonder disfunctioneel gezin uit de Languedoc. Zoontjes mogen alles, dochter mag niets en krijgt heel de tijd slaag, mama heeft er geen zin in (en snurkt verschrikkelijk) en papa schaamt zich en probeert dat en de overlast te compenseren door bijzonder vriendelijk te zijn tegen mij.
Ik heb een volledige dag om in Gap te geraken,, en na ruim een uur en half wandelen (het is dik 6 uur wandelen naar Gap) brengt een Normandiër met een gammele auto me naar het station van Gap. De rest van de dag is het chillen geblazen in het park, wat pintjes drinken, kranten lezen en kijken naar de massaal aanwezige petanquers. Werkelijk héél het park is aan het spelen. Het feit dat het in het park net nationaal kampioenschap is geweest zit daar waarschijnlijk voor iets tussen.

‘Il va éclater ce soir hein’ is het oordeel van de veteranen in het park en een onweer komt er inderdaad met zekerheid aan. Benieuwd waar de rotsklimmers nu zitten.
De nachttrein is (of voelt) minder onconfortabel dan op de heenreis en komt stipt rond 7 uur aan in Parijs, waar de regen met bakken uit de lucht valt. Twee uur TGV later zijn we thuis.
Conclusie
Het Parc des Ecrins is een prachtig gebied, en ik heb slechts de zuidelijke kant ervan (deels) gezien. Momenteel twijfel ik of ik volgend jaar niet vanuit Grenoble van het noord-westen naar het zuid-oosten te trekken, met een haalbare planning dan.
Dit brengt me bij de vraag of m’n twee weken geslaagd genoemd kunnen worden. Wat ik in gedachten had, was sowiezo onhaalbaar, tenzij je zonder rugzak wandelt. Achteraf gezien had ik misschien meer naar het noorden kunnen gaan i.p.v. een grote lus te maken in het zuiden. Dat had waarschijnlijk interessanter geweest, maar het was allemaal nogal nieuw voor mij en de bergen zorgden ervoor dat mijn opties eerder beperkt waren wat betreft uitwijkmogelijkheden. Vooral bevoorrading was een probleem, maar toch denk ik dat ik niet alles eruit heb gehaald wat er in zat.
Dat neemt niet weg dat dit een bijzonder leerrijke ervaring was, en het was uiteindelijk slechts mijn tweede serieuze meerdaagse tocht. Ik weet nu tenminste wat ik aankan, hoe je de lijntjes op de kaart omhoog en omlaag moet inschatten, hoeveel hoogtemeters je op een dag kan maken (een totaal van 2000 meter is doenbaar voor mij zonder mezelf op te branden), hoe hard het weer een spelbreker kan zijn en hoe dat je daar niets aan kan doen buiten te anticiperen en te hopen dat je juist zit. Dat de enige manier om beter te wandelen meer wandelen is en dat solo tochten voor een ervaring staan die met een groep niet haalbaar is.
Parcours
Niets moeilijks, af en toe een stijle puinhelling, een passage waar je heel goed moet kijken waar je je voeten zet en de afdaling van de Col de la Regue die zeer slecht/niet gemarkeerd is.
Overnachten
In het park zelf mag je bivakkeren, wel op 1 uur verwijderd van een weg of van de grenzen van
het park. Campings vind je rondom het park, net zoals gites. Ook zijn er een aanzienlijk aantal
refuges aan de rand van en in het park: http://www.les-ecrins-parc-national.fr/medias/FicheHeberg2001.pdf]
Bevoorrading
Pont-du-Fossé in de Champsaur vallei heeft het meeste aanbod qua winkels, daarnaast is er St Bonnet-en-Champsaur waar er een Intermarché is. In Aillefroide zijn er twee outdoorshops, waarvan er één vriesdroog verkoopt, en een Spar.
Transport
TGV van Antwerpen Centraal naar Paris Nord, met de metro (lijn 5) naar Paris Austerlitz en van daaruit de nachttrein naar Gap. Vandaar zijn er dagelijks een aantal bussen naar de Champsaur vallei.
Links
Mooi en eerlijk verslag.
Louche types die metrotickets aanbiedn…
Laatst heb ik er nog zo twee gekocht van zo iemand.
Met de tickets is niets mis. Die werken zoals het moet.
Maar wat doe je als je de rijenen wachtende voor de automaten heel lang zijn, de bureaus gesloten…
Ik betaalde 1.5 euro/stuk. In het beste geval reis je regelmentair
(als je in een loket 10 tickets in een keer koopt kost dit nog geen 1.2 euro per stuk.)
Daar zou hij zijn winst kunnen maken.
Maar voor hetzelfde geld heb je een ticket voor een kind in handen. Deze zijn nog wat goedkoper maar nu reis je wel onwettig.
Ik zou er een gewoonte van moeten maken om toch twee tickets in reserve thuis te hebben liggen als het allemaal wat krap in tijd is.
Die tickets blijven namelijk jaren ‘goed’
Heel herkenbaar en grappig
Het verhaal blinkt uit door een soort sombere humor.
Met je conclusies over het “solo” gaan ben ik het niet eens. Wanneer je met 2 man gaat bijvoorbeeld, heb je altijd morele steun onderweg en je wordt gespaard voor veel foute inschattingen. En van het laatste geef je veel treffende voorbeelden.
Bwa, op voorwaarde dat je partner ervarener is dan jij. Anders is er nog steeds een serieuze kans dat je foute inschattingen maakt.
De vraag is dan of het echt leuk is om op sleeptouw genomen te worden door iemand die het allemaal veel beter weet…
Door de herkenbaarheid van een en ander
hou ik ook van een dergelijke verslaggeving.
Zelf ‘kik’ ik toch wat op die stemmingsschommelingen onderweg.
Reizen in groep nivelleerd naar mijn gevoel een en ander.
De hoogtepunten, dieptepunten…
het is vergelijkbaar met de hoogtemeters op de kaart.
Vlak kan soms saai zijn.
Achteraf krijgt, bij terug kijken op...,
en als het geheel wat is uitgerijpt
alles toch een soort kleuring
die moeilijk onder woorden is te brengen.
Tot zover deze beschouwing
Ik bedoel dus niet solo-hiken tegenover idem met een groep maar met iemand anders die vrijwel op dezelfde
golflengte zit. Toegegeven, zo’n trekking-partner is verdraaid moeilijk te vinden. Maar het heeft grote voordelen. Een voorbeeld: ik ben 3x bij doorwading van beken gevallen, wat veel schaafwonden opleverde. Maar ik had niet genoeg pleister bij me, wel middel voor ontsmetting. Mijn partner had wel 1 km pleister bij zich, maar was het ontsmettingsmiddel vergeten. Menige tour is al in de soep gelopen door infectie!
Aan de andere kant kon ik mijn meer ervaren, maar fanatieke, partner ertoe overhalen om tijdig te pauzeren, te eten en te drinken. Als dat niet gebeurd was, had hij kennis kunnen maken met uitputting, uitdroging enz.
Excuses voor het lange verhaal.
Bruno, het lijkt me dat je langzamerhand rijp bent voor Scandinavie. Daar kom je ook geen hordes hinderlijke Hollanders tegen, behalve ondergetekende.
Scandinavië staat zeker op de mogelijke bestemmingen lijst voor volgende zomer, momenteel ben ik wel eerder aan het denken wat ik het krokus verlof ga doen, waarschijnlijk iets in de Vogezen of evt de Vercors, kwestie van wat winterervaring op te doen.