Hiking-info.net: Informatie over hiking, wandelen, buitensport,...

Verslagen  >  Langs de noordkant van het Vall d’Aran

Langs de noordkant van het Vall d’Aran

Sporen langs de Frans-Spaanse grens

De oversteek van vorig jaar had mij een goed beeld gegeven van wat de Pyreneeën allemaal als gebergte te bieden hebben. Maar eenmaal thuis, was de honger nog lang niet gestild. Na die algemene inleiding wilde ik nu sommige gebieden in heel wat meer detail gaan bestuderen. Eén van die gebieden die mij vorig jaar waren opgevallen, waren de massieven langs de Frans-Spaanse grens aan de noordrand van het Vall d’Aran, met bergen die dagen, soms zelfs wekenlang bakens aan de horizon waren, zoals de Maubermé en de Mont Rouch, en daaronder meestal zachte, groene hellingen. Bovendien bleek deze streek dan ook nog eens een van de minst belopen van het hele gebergte, met dikwijls helemaal geen paden. De tocht van een week die ik nu zou lopen was dus veel meer dan een ‘opstapje’ naar het hogere werk dat er later deze tocht nog zou gaan aankomen. Het was een doel op zich.

Verslag van Willem, 20 augustus 2008.

Dag 1 : Donderdag 03/07/2008 : Gent – Sentein – Forêt de Sentein

Vertrek : 16u50
Aankomst : 18u40
Wandelduur : 1u40
Klimmen : 480m
Dalen : 0m

Het was 3u55 toen mijn wekker ging. Een halfuurtje later stond Nicolas voor de deur, hij had nog een barbeceu gehad gisteravond en had vannacht z’n bed zelfs niet gezien. We bolden met de wagen tot in Lille en sprongen daar iets voor zessen op de TGV richting Parijs, waarbij Nicolas z’n ogen stilaan begonnen dichtvallen. Een uurtje later waren we in Paris Nord.

We hadden goed een uur om onze overstap te halen naar Paris Montparnasse. Geen probleem, normaal gezien, maar er waren blijkbaar problemen met de ticket-automaten voor de metro. Een bevoegde verzekerde ons dat het “binnen het halfuur wel gemaakt zou zijn”. Maar intussen stonden wij daar wel en tikte de tijd weg, en wie verzekerde ons dat die automaat inderdaad snel gemaakt zou zijn. Stress begon de kop op te steken. Na vijf minuten besloten we dan maar de marginaal uit te hangen en gewoon achter iemands rug door de metropoortjes door te glippen. Hop, de metro op. Het was een lang eind tot Paris Montparnasse, waar we nog goed twintig minuten overhielden voor uiteindelijk onze trein naar Toulouse vertrok.

Van die lange treinrit herrinner ik mij niet zo veel, behalve dat ik vrij veel geslapen heb en Nicolas nog meer. Rond half twee bereikten we Toulouse. We kochten snel een kaartje verder naar Boussens, en konden meteen opnieuw de trein op. De trein zat propvol en met onze grote rugzakken, ijspickel en slecht Frans werden we bijna buitengekeken uit de coupé waar we ons ingewurmd hadden. Gelukkig was het maar een halfuurtje. In Boussens stond de bus naar Saint-Girons ons al op te wachten. Al rond 15u stonden we in dit standje, aan de poort van de Pyreneeën, die echter verborgen bleven in een dik wolkendek.

We maakten een bordje om te liften en vonden er niets beter op dan hier op te schrijven “Pyrénées, merci !”. Veel verkeer zou er allicht toch niet tot in Sentein doorrijden. Het leverde in elk geval veel hilariteit op de bij voorbijrijdende auto’s. Na goed tien minuten pikte ons uiteindelijk iemand op, een dertiger met een oude, verroeste camionette. Het achterstuk ingericht als slaapruimte en versierd met kindertekeningen. Veel van zeggen was onze chauffeur niet en op de klanken van accordeonmuziek gleden we de bochten door, terwijl de dalen dieper werden en de beboste hellingen indrukwekkender. De man woonde in Lascoux, maar reed speciaal nog een stukje verder door, en zo stonden we om 16u stipt al in Sentein, na een onwezenlijk vlotte reis.

Op het plein voor de plaatselijke lagere school wachtten we nu nog tot in België Nicolas’ punten geproclameerd werden. Na een goed halfuur kreeg hij bevrijdend goed nieuws, Bachelordiploma op zak. We reorganiseerden onze rugzak nog een beetje en konden uiteindelijk rond 17u echt op weg. De hemel was nog steeds betrokken met een wolkenbasis rond 1800m, maar voorlopig bleef het in elk geval droog. De eerste kilometers naar Frechendech liepen nog over het asfalt, langs de woest kolkende Ruisseau d’Isard. Van de weerberichten wist ik dat hier vanochtend veel regen was gevallen. Er werd volop gewerkt aan de elektriciteitsleidingen langs de weg, met het nodige kabaal. Maar vanaf Frechendech lieten we elk teken van beschaving definitief achter ons en begonnen over geel-rood-gemarkeerd te klimmen in het Foret de Sentein, een majestueus beukenbos. Al snel begon het echter opnieuw te regenen en dikke druppels vielen van het bladerdek naar beneden. We liepen door tot in de buurt van Tour de Biros en plantten op een vlak stukje bosgrond de tent neer. Al iets na achten lagen we alletwee in dromenland, we hadden nog veel slaap in te halen.

Dag 2 : Vrijdag 04/07/2008 : Forêt de Sentein (1160m) – Tuc de Bouc (2275m)

Vertrek : 9u35
Aankomst : 18u40
Wandeltijd : 4u10
Klimmen : 1315m
Dalen : 200m
Bergpassen : Col d’Auarde (1954m)
Bergtoppen : Pic du Pièle de Mil (2128m), Tuc de Bouc (2275m)

We hadden vanmorgen uiteraard geen wekker gezet en sliepen meer dan 12 uur non-stop. Iets na acht uur werd ik wakker. Af en toe viel er nog een dikke druppel op het tentzeil en ik was bang dat er buiten mist hing. Rond 8u25 hoorde ik dan een helikopter overvliegen en wist ik dat het mooi weer was. Tent openritsen en inderdaad : een volkomen heldere hemel. Het was bijzonder fris geworden vannacht : hier in het bos op niet eens 1200m was het nu 4 graden. Terwijl we aan het inpakken waren passeerden er twee veertigers op weg naar de Refuge d’Araing. Ietsje later waren we zelf vertrekkensklaar, zo rond 9u35.

We klommen nu zelf nog een stuk over het pad naar de refuge omhoog doorheen het beukenbos. Aan onze rechterzijde verschenen voor het eerst de zachte grashellingen laag op de Pic de la Mède (2044m) , een opvallende, vooruitgeschoven berg met een steile tandvormige top die de hele dag zeer beeldbepalend zou blijven. De vallei boog nu langzaamaan af naar het zuiden en met stijgende spanning wachtte ik op een eerste blik op de toppen van de grenskam. Net voor het bereikten van een plateau bij het uitklimmen van het bos kwamen ze in beeld en ik zuchtte diep van opluchting : het viel allemaal nog wel mee van sneeuw, twee warme weken hadden toch nog flink geknaagd aan de enorme hoeveelheden die hier na aanhoudend slecht weer nog aanwezig waren half juni. Ik was er meteen van overtuigd dat we zonder al te veel problemen wel het vooropgestelde parcours zouden kunnen gaan afwerken.

Aan de splitsing van het pad naar de refuge en dat naar de Refuge&Chapelle d’Isard namen we een eerste pauze, waarbij de zonnecreme meteen rijkelijk vloeide. Daarna pikten we het pad naar de Chapelle d’Isard op. We daalden een kort stukje, staken we nog steeds woest stromende Ruisseau d’Isard over en traverseerden daarna over een makkelijk pad onder de Tuc de l’Usclade door naar een groene vlakte aan de Chapelle d’Isard, waar we zo rond 11u10 aankwamen.

Volgens de 1/50000 Mapa Excursionista / Cartes de Randonnées vertrok hier een rechtstreekse route naar Etang de l’Uls, volgens de 1/25000 van IGN die ik op internet had bekeken een pad naar de Col d’Auarde. De waarheid was dat er hier, zoals ik op voorhand wel een beetje had gevreesd, gewoon geen enkel pad of spoor vertrok. We bestudeerden beide hellingen en kozen ervoor om het via de minder steil uitschijnende Col d’Auarde te gaan proberen. We klommen een stukje frontaal in noordelijke richting de helling op om zo in het valleitje terecht te komen dat ons naar de col zou leiden. Er volgde daarna een zeer lastig stuk à l’improviste, waarbij we ons geregeld door laag struikgewas moesten worstelen om te vorderen. Uiteindelijk werd het terrein beter bij het naderen van een herdershut goed 200m onder de col. Daarna volgde opnieuw een stevig slotstuk langs een kleine kloof, waarbij de grashellingen dikwijls doorsneden waren door kleine rotswandjes. Van een pad of spoor was helemaal geen sprake. Vlak onder de col lag nog een klein sneeuwveldje. De terugblikken werden steeds mooier en rijkten nu al tot de Mont Valier. Het was 13u30 toen we na een zware beklimming de col bereikten. We hadden een hele kluif gehad aan de Col d’Auarde (1954m).

We pauzeerden even en besloten om (nu we toch à l’improviste bezig waren) doodgewoon over de top van de Pic du Pièle de Mil (2128m) te trekken naar het Etang de l’Uls in plaats van eerst nog een stuk te traverseren en zo de GR10 op te pikken. Het was redelijk steil klimmen, opnieuw dikwijls tussen lage rododendron-achtige struiken met roze bloemen. Eenmaal op de top werden we verrast door een immens uitzicht tot diep in Spanje, met de nog volledig besneeuwde noordflank van het Aneto-massief natuurlijk in een hoofdrol. Ook alle 3000-ers van de Luchonnais waren te zien, eveneens nog met een constante sneeuwbedekking waarvan ik de basis schatte op goed 2500m. In het oosten waren de Pic de Maubermé (2880m) en de Mont Valier (2838m) bakens aan de horizon. In het oosten leek er een stuk minder sneeuw te liggen. We waren intussen alletwee al redelijk moe van het langdurige stappen over ongebaand terrein en moesten inzien dat een topbivak op de Pic de Crabère (2629m) voor vandaag allicht te hoog gegrepen was. In plaats daarvan besloten we om van de Tuc de Bouc (2275m) onze overnachtingsplaats te gaan maken, om toch nog een beetje een topbivak te hebben.

Na een pauze, waarbij regelmatig gieren kwamen overgevlogen, daalden we opnieuw à l’improviste, maar minder steil en over kort gras, af tot het Etang de d’Uls, waar we rond 15u aankwamen. Van hieruit was het enkel nog zo’n 300m klimmen en we maakten er dus een lange luie middag van. Het meer zat vol forellen die regelmatig met een luide plons een sprong boven het wateroppervlak maakten. Terwijl we daar zo lagen krompen de sneeuwveldjes aan de overkant van het meer zienderogen in de warme middagzon. Rond 18u moesten we bij vertrek alletwee vaststellen dat we toch wat te weinig zonnecrème hadden gesmeerd, allebei waren we verbrand op armen en benen.

De klim tot de top van Tuc de Bouc was weer volledig improviseren over redelijk eenvoudige gras- en puinhellingen. Rond kwart voor zeven bereikten we de top, die een prachtig uitzicht bood op de toppen van de Luchonnais, de vallei van Sentein met op de voorgrond alweer die opvallende Pic de la Mède en naar het oosten op de Cirque d’Araing. Er stond nogal wat wind en we besloten de tent op te stellen op de platte top die toch grotendeels uit gras bestond. De zonsondergang was prachtig. Een heerlijke relaxte avond, maar lenticularisbewolking in het westen kondigde een weersverslechtering aan. Nog even niet aan denken. De eerste dag was zeer geslaagd geweest. Geen mensen gezien onderweg, of iets dat ook maar op hun aanwezigheid zou kunnen wijzen. Of toch, welgeteld één steenmannetje, ergens op weg naar de Col d’Auarde.

Dag 3 : Zaterdag 05/07/2008 : Tuc de Bouc (2275m) – Lac de Montoliu (2375m)

Vertrek : 7u05
Aankomst : 15u00
Wandeltijd : 5u50
Klimmen : 1130m
Dalen : 1030m
Bergpassen : Port d’Albe (2460m)
Bergtoppen : Pic du Serre Haute (2705m)

Het had stevig gewaaid vannacht en we hadden alletwee redelijk onrustig geslapen. In de loop van de nacht moest ik er even uit voor een plasje en werd voor een eerste maal overweldigd door de melkweghemel. In Frankrijk was heel wat straatverlichting te zien en in de verte meende ik zelfs Toulouse te ontwaren. Rond 6u stonden we reeds op, we konden toch niet meer slapen. We deden onze inpak terwijl vooral de ochtendkleuren op het nog grotendeels met sneeuw bedekte Perdiguero-massief bijzonder fraai werden. Om 7u05 waren we op pad.

We daalden nog een kort stukje à l’improviste door het gras om al snel de Col d’Auéran (2176m) te bereiken, waar we de GR10 oppikten. Een eenvoudige afdaling met prachtige uitzichten op het Etang d’Araing en de steile noordhellingen van de Tuc de Crabère (2629m) en de Mail de Luzes (2590m), met nog heel wat sneeuwvelden onder de top, voerden ons naar het moderne gebouw van de Refuge d’Araing, waar we al om 7u30 aankwamen. Er zat welgeteld één gast aan de ontbijttafel. Aan de jonge en verdomd goed uitziende gardienne vroegen we of er niet toevallig een paar plastic zakken op overschot waren, onze reservezakken waren we beide vergeten. In de refuge waren ze maar al te blij om van wat zakken af te geraken. Ik informeerde ook nog even naar de toestand aan de noordkant van de Port d’Albe, en kreeg bevestiging van mijn vermoeden dat hier nog sneeuwvelden aanwezig waren.

Opnieuw over de GR10 klommen we nu eerst nog een stukje door tot de Serre d’Araing, de kam tussen Pic de Har (2424m) en Mail de Luzes (2590m). We vonden allebei snel ons ritme op de gelijkmatige klim en kwamen om 8u50 boven. Van hier hadden we een mooie terugblik op het meer, met daarachten de Tuc de Bouc, waarop we overnacht hadden. Aan de andere kant lagen ver in de diepte de mijngebouwen van Bentaillou. Mijn blik richtte zich nu echter vooral op het zuiden ; de Port d’Albe zelf was voorlopig nog niet te zien, maar wel de erg steile noordflank van de Pic de Serre Haute (2705m), een top die ik vanaf de col wou gaan beklimmen. Over de kam zag het er van hieruit erg eenvoudig uit en ik kon zelfs al een steenman op de top ontwaren.

We verlieten nu de GR10, klommen nog even door over de Serre d’Araing en pikten al snel een duidelijk en uitbundig met steenmannen gemarkeerd spoor op dat eerst langzaam, dan een stuk steiler klimmend naar een brede kom ten zuiden van de Mail de Luzes toeliep. Bij het bereiken van deze drempel zagen we de col voor het eerst liggen. Er lagen nog enkele grote sneeuwvelden onder die er van hieruit bijzonder steil uitzagen. Nu had ik zelf wel stijgijzers en een pickel mee, maar omdat ik Nicolas niet wou verplichten om dat dure materiaal te kopen, had hij dit dus niet mee. Ik vertrouwde er echter op dat ik een spoor zou kunnen stampen dat goed genoeg was om ook hem veilig de sneeuwvelden te doen oversteken.

We omtrokken de kom langs de rechterkant en klommen nu over het puin naar het begin van de sneeuwvelden toe. Links kwam het mooie Etang d’Albe in zicht. Bij het begin van het eerste sneeuwveld bond ik mijn stijgijzers aan en nam mijn pickel ter hand. Dit eerste sneeuwveld was hooguit 30° steil en de sneeuw was al vrij zacht geworden door het warme weer. Veel problemen leverde het dus niet op. Daarna moesten we weer enkele minuten door het puin vooraleer we een steiler 2e en daarna het steilste 3e sneeuwveld bereikten, net onder de col. Dit was toch een 40° steil. Een spoor was er niet en de zekerheid van een pickel was nu toch niet overdreven terwijl ik een zo goed mogelijk spoor stampte voor Nicolas. Dit lukte blijkbaar nogal goed want bijna tegen normaal wandeltempo kwam hij achter mij aangeklommen. Rond 10u30 bereikten we de col.

Terwijl Nicolas beneden wat in z’n boek zat te lezen nam ik het kleine rugzakje en begon zoals gepland aan de Pic de Serre Haute. De klim was een fluitje van een cent, door eenvoudige gras- en puinhellingen bereikte ik vlot in minder dan een half uur de top, vanwaar het uitzicht het volledige gebied bestreek dat de volgende 20 dagen doorkruist zou worden. In het oosten was de Tuc de Maubermé (2880m) allesoverheersend. Het was de bedoeling ook deze top later vandaag nog te beklimmen. Verder weg waren ook Mont Valier, Mont Roig en zelfs het Estats-massief te zien. Meer naar het zuiden sprongen de Aiguestortes meteen erg in het oog. Er leek nog bijzonder veel sneeuw te liggen in dit massief. Boven de 2600m leek de sneeuwbedekking quasi continu te zijn om de noordhellingen. Verder naar het westen priemden nog twee besneeuwde massieven in de heldere hemel : Het Aneto-Maladeta-massief en het Perdiguero-massief. Veel verder weg meende ik ook de besneeuwde toppen van de Neouvielle te ontwaren, maar zeker was ik daar niet van. In grote delen van de Franse vlakte lag een wolkendeken.

Na een kwartiertje te hebben rondgetuurd op de platte top begon ik terug aan de afdaling. Onderweg merkte ik in de diepte een wandelaar op die eveneens op weg was naar de Port d’Albe. Het was zowat 11u45 toen ik terug beneden stond en even later waren we weer op weg. We liepen rechts rond het Estany d’Albe en bereikten meteen na het meer de een erg steile drempel, waar we werden overweldigd door het prachtige uitzicht op het grote Estanh Long de Liat. Dit meer had ik daarnet vanop de platte top nog niet zien liggen. Er volgde een lastige, steile afdaling over gras en kleine rotswandjes, gelukkig goed met steenmannen gemarkeerd. Na nog een steile traversé bereikten we uiteindelijk een plateautje dat we al lang in de gaten hadden, en hier was het door het korte gras heerlijk à l’improviste verder slenteren met geweldige uitzichten op de Maubermé recht voor ons en het brede, groene dal aan de rechterkant. Puur genieten. Ik wist wel waarom ik terug naar de Pyreneeën was gekomen dit jaar. We liepen alletwee zichtbaar te genieten.

Intussen begon het weer wel wat aandacht te vragen; vanuit het westen begon de hemel stilaan te betrekken en stilaan begon ook de cumulusbewolking op te bollen. Bij het naderen van de col ten zuiden van Tuc de Maubermé (duidelijk pad, wit-rood gemarkeerd) besloten we om het zekere voor het onzekere te nemen en deze top over te slaan om zeker droog het Lac de Montoliu te bereiken. Ik deed dit met wat spijt in het hart want de Maubermé blijft voor mij een zeer speciale top, misschien wel een van de meest kenmerkende van de hele Pyreneeën.Van overal in het rond is ze een ware baken aan de horizon. Voor een volgende keer, echter. Er kwamen net een drietal Spanjaarden afgedaald en een beetje jaloers keek ik ze na.

Over wat onoverzichtelijker terrein liepen we nu verder tot uiteindelijk het Lac de Montoliu in zicht kwam, dat nog half bevroren bleek te zijn. We kozen maar voor de directe afdaling in plaats van eerst nog tot de Col d’Urets te lopen en glibberden over een aaneenschakeling van ongevaarlijke sneeuwvelden naar beneden. Het was uiteindelijk rond 15u toen we de noordrand van het meer bereikten. Er was uiteraard geen kat. Veel volk hadden we vandaag niet gezien en dat zou de regel gaan worden deze week. Ik stelde maar meteen de tent op en viel daarna nog een tweetal uur in slaap in het gras.

Na het avondeten begon ik rond 19u30 nog aan een avondwandelingetje naar de mijngebouwen onder de Collada Nera. Zo kon ik meteen ook de beginklim voor morgen even verkennen, en die zag er wel doenbaar op. Al klimmend merkte ik al snel op dat er intussen een mer de nuages gevormd was in het Vall d’Aran. Daarachter zag ik de eerste buien tot ontwikkeling komen boven de Aiguestortes. Het bevroren meer, de sneeuwvelden op de groene hellingen, de wolkenzee, de dreigende wolken in een felblauwe lucht, de laagstaande zon die lange schaduwen trok in het landschap… de contrasten waren magnifiek. Ik merk aan mijn gedrag snel wanneer ik volledig in de ban ben van het natuurlijke schouwspel waar ik als kleine mens in mag rondwandelen. Onrustig zo snel mogelijk van rotspuntje naar rotspuntje klimmen, waar ik denk een beter of ander uitzicht te hebben. Kriskras over de hellingen. Vanavond was het niet anders.

Aan de mijngebouwen hing een bijna angstaanjagende sfeer. Donkere ruïnes, terwijl de krijsende, gitzwarte kauwen overzoefden. De oude mijngangen stonden grotendeels onder water. Overal druppelde water van de smeltende sneeuwvelden naar beneden. Het was fascinerend om door dit industriële openluchtmuseeum midden de bergen rond te lopen. De klok was ik volledig uit de gaten verloren. Het was al rond 21u toen ik terugkeerde naar het meer. Oranje kleurende bergen boven de smeltende ijsplaten. Welk een landschap hadden we vandaag in rondgelopen. Fysiek lijkt alles volledig top. ’t Worden weer schone weken in de Pyreneeën.

Dag 4 : Zondag 06/07/2008 : Lac de Montoliu (2375m) – Cabana de Marimanha (2010m)

Vertrek : 9u55
Aankomst : 18u10
Wandeltijd : 5u45
Klimmen : 680m
Dalen : 1040m
Bergpassen : Collada Nera (2570m), Port d’Orle (2320m)

Die nacht duurde het niet lang voor ik wakker werd met een herhaaldelijk gebliksem die de tent deed oplichten. Ik snelde snel uit de tent om alle spanlijntjes nog even goed aan te snoeren. Aan de hemel was een fascinerend schouwspel aan de gang : terwijl de melkweg nog prijkte in het zenit, kwam vanuit het zuidwesten een indrukwekkende wolkenmassa opzetten waarbij ik boven de Aiguestortes bliksemschichten door de donkere lucht zag klieven, die de besneeuwde bergtoppen deden oplichten in een spookachtig licht. Ik bleef enkele minuten kijken en kroop dan weer de tent in wanneer de eerste regendruppels begonnen vallen. Het was het eerste onweer van een lange, onrustige nacht. Minstens drie verschillende onweders trokken over, rond 23u, 1u en 6u. Bij dat laatste onweer besloten we alvast de wekker af te zetten in afwachting van stabieler weer.

Het was uiteindelijk zowat 8u40 toen we wakker schoten van de zon die nu volop op de tent scheen. De hemel zag er nog steeds erg chaotisch uit maar we begonnen toch maar in te pakken. Iets voor tien uur ’s morgens, een voor mij erg ongebruikelijk laat vertrekuur, gingen we op pad. We liepen nog een stukje langs het meer en begonnen dan te klimmen naar de Collada Nera. Zoals ik gisteren ook had gedaan klommen we links van een bedding die nog volledig met sneeuwvelden was opgevuld. Iets onder de mijngebouwen doken we dan toch rechts omlaag om door de losse sneeuw verder te klimmen op een weinig steile helling.

We ploegden langzaam door naar de col toen op enkele meters van de rand van een sneeuwveld plots de grond onder mijn voeten wegzakte. Voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde stortte het sneeuwveld ineen en viel ik zowat twee meter naar beneden, in een holte die onder de sneeuw verborgen zat. Ik landde mooi op mijn twee voeten op de een rotspartij en moest aanvankelijk lachen met deze val. Toen ik echter nog eens grondig keek waar ik terecht was gekomen miste mijn hartje toch enkele slagen. Nog geen twee meter verder gaapte tussen de rotsen een enorm gat waar ik de bodem zelfs niet van kon zien. Als ik daar was terechtgekomen.. Goed, het had geen zin om al te lang bij rampscenario’s stil te staan. Nicolas, die enkele tientallen meters achter mij aan het klimmen was, stuurde ik toch maar een stukje rond. De sneeuwvelden voor even vermijdend klommen we daarna makkelijk langs een grashelling verder tot op de col.

Het uitzicht aan de oostzijde van de col werd overheerst door de donkere, sobere hellingen aan de noordwestrand van het Vall d’Orle. Her en daar lagen nog half bevroren plassen en meertjes, met aan de andere zijde van het dal enkele opvallende toppen langs de grenskam, zoals de Tuc de Barlonguère (2802m). De Mont Valier zat achter deze top verborgen en was dus voor één keer niet te zien. We namen een korte pauze en begonnen daarna aan de afdaling, opnieuw volledige à l’improviste. Als er al een spoor was, dan raakten we dat kwijt op de lange sneeuwveldpassages. We trokken naar een met puin gevulde kom net ten noorden van het nog bevroren Estanh Nère deth Horcath, traverseerden nog een stukje naar het oosten en staken dan steil klimmend over het gras in noordelijke richting de Sarrat Blanc over. Boven kregen we al snel het kleine meertje (2490m) ten oosten van de Tuc de Colomers in de gaten, waar we makkelijk hors sentier naartoedaalden. Hier pikten we een rood-wit-gemarkeerde route op, die allicht slechts zeer zelden wordt belopen want een spoor in het gras was er niet.

Het was inmiddels 11u en we namen een eerste pauze. De landschappen waarin we vertoefden waren onvoorstelbaar leeg en kaal, eerder thuishorend ergens in Noord-Zweden of Schotland dan hier in de Centrale Pyreneeën. We volgden nu verder stroomafwaarts de beek en bereikten zo al vrij snel opnieuw een oude mijn, de Mines deth Horcalh. Dit was zonder meer de best bewaarde van alle mijnbouwresten die we al waren tegengekomen. In het gebouw was de gemeenschappelijke ruimte makkelijk terug te vinden door een grote, verroeste kachel die er nog stond. We vonden nog de resten van een trap, die erop wezen dat dit gebouw ooit meerdere verdiepingen moet hebben gehad. Verder waren de mijngangen nog helemaal intact met her en der karretjes. Een spoorlijntje liep helemaal langs de helling tot aan de Port d’Orle. Langs dit spoor zouden wij straks gaan lopen. Enig opzoekingswerk achteraf heeft mij geleerd dat deze zinkmijnen, net als die bij het Lac de Montoliu, gesloten werden helemaal op het einde van de 19e eeuw (1890 voor Montoliu, 1899 voor de Mines deth Horcath). Ik wil echt niet weten hoe onmenselijk zwaar de werkomstandigheden hier destijds moeten zijn geweest, op bijna 2500m hoogte…

Na een ontdekkingstocht tussen de ruïnes lieten we de mijnen uiteindelijk achter ons en liepen langs het spoorlijntje naar de Port d’Orle. Het was ongeloofelijk hoeveel water er was, wel om de 50m liep een beekje naar beneden. Onderweg waren er mooie uitzichten naar het zuiden doorheen het dal, met in de verte de toppen van de westelijke Aiguestortes, waar duidelijk nog steeds buien actief waren. Zelf hielden we het al de hele dag droog, maar lang zou dat niet meer duren… Eenmaal aangekomen op de Port d’Orle liep ik nog snel even over de col en zag een wolkenzee in Frankrijk liggen. Daarna daalden we na een pauze snel het dal in, want de wolken werden stilaan dreigender. Na een halfuurtje begon het te rommelen en even laten kwam de regen. Snel liepen we verder doorheen het dal naar beneden. Het echte onweer trok uiteindelijk enkele kilometers zuidelijk van ons voorbij en veel meer dan wat regen kregen we niet te verwerken. Wanneer de wolken stilaan optrokken namen we de tijd om nog eens achterom te kijken. Het was een prachtig schouwspel. Meerdere grote watervallen donderden van alle kanten het dal in en naar het westen hadden we een geweldige doorkijk in het Vall de Vernatar, met zachte groene hellingen en aan het einde van het dal de met sneeuwvelden bekleedde toppen van de Sarrat de Cardigassos, Tuc de Parros (2727m) en Taula de Parros. Waar de beken die doorheen beide valleien stromen samenkomen zijn er geweldige bivakmogelijkheden.

We volgden verder de rood-wit gemarkeerde route en kwamen nu al snel uit op de pista, die ons verder voerde naar Montgarri. Dit is een kerk midden in de bergen, waar een refuge is naast gebouwd die vooral bij mountainbikers erg in trek schijnt te zijn. Een laatste regenbui waaide over voor we de refuge bereikten. Daarna kwam de zon erdoor en we installeerden ons op het terras. Nu we hier toch waren konden we maar eens informeren of we hier konden douchen, anders zou dat nog eens 4 dagen duren en een beetje hygiëne kan ook geen kwaad. Een luxe-douche werd het, voor 3€. Lekker fris trokken we rond 16u20 terug op pad, onder een nu stilaan uitklarende hemel. We vervolgden de pista tot aan de Puente de Marimanha (0u30), waar we een pad moesten vinden zuidelijk het Vall de Marimanha in. Het koste ons enige moeite om dit te vinden. Het pad vertrekt een 200-tal meter voorbij de brug, klimt eerst een stukje in ZO-richting door het gras en wordt pas bij het bereikten van het bos duidelijk.

We klommen nu tegen een behoorlijk tempo en op voor de streek zeldzaam goed pad verder door het bos. Bivakmogelijkheden dienen zich pas echt aan bij het bereikten van enkele grasvlaktes langs de beek rond 1900m. We besloten echter om eens een kijkje te gaan nemen aan de Cabana de Marimanha, een onbemand hutje op goed 2000m waarvan ik had gelezen dat ze in goeie staat verkeerde. Met enige moeite staken we de woest kolkende beek over (er was nog bijzonder veel water overal, zo vroeg op het seizoen) en klommen door het gras verder naar de hut. Het was iets na zessen toen we er aankwamen, onder een hemel die nu quasi volledig helder was geworden. De hut was inderdaad bijzonder proper. Op de betonnen vloer is er slaapplaats voor drie, hooguit vier personen. We twijfelden niet, rolden ons matje uit en genoten in de warme avondzon nog lang van het geweldige uitzichten doorheen het dal op de toppen langs de grenskam. Achter ons grijnsden de bergen die we morgen zouden oversteken.

Dag 5 : Maandag 07/07/2008 : Cabana de Marimanha (2010m) – Estanyola del Clot de Moredo (2230m)

Vertrek : 7u20
Aankomst : 15u
Wandeltijd : 6u00
Klimmen : 1250m
Dalen : 1030m
Bergpassen : Coll d’Airoto (2510m), Collado del Clot de Moredo (2429m)
Bergtoppen : Pic de Moredo (2750m)

We hadden beiden heerlijk geslapen in de mooie cabane. Toen we rond 6u30 de deur opentrokken dobberden in het zuiden nabij de Tuc de Marimanha enkele onschuldige wolken door een voor de rest helderblauwe hemel. Het was fris en windstil en de vogels waren nog volop bezig aan hun ochtendlied. Tijdens deze tocht waren we al de hele tijd vergezeld geweest van ochtend- en avondlijk gefluit van heel veel vogels. Allicht was door de lang aanslepende winter (tot half juni was het erg somber en koud over de Pyreneeën) het broedseizoen nog volop aan de gang. We pakten rustig ons boeltje en gingen rond 7u30 op pad.

Het mooie pad van gisteren vervaagde al snel op een onoverzichtelijk plateau dat vol stond met bloeiende paars-roze rododendrons. Overal in het rond stonden steenmannetjes geplaatst. Als iedereen zijn eigen spoor begint te markeren dan is de logica al snel zoek. We liepen dan maar op goed gevoel een stukje naar boven en kwamen na een tijdje een meer belopen spoor tegen dat ons langs enkele watervallen tot het meertje (2200m) in de oostelijke vallei van het hier splitsende Vall de Marimanha voerde. Op de alluviale vlakte aan de zuidpunt van dit meer zijn mooie bivakmogelijkheden voorhanden langs de breed meanderende beek.

Hier vervaagde het spoor helemaal. Nu en dan kwamen we nog een steenman tegen maar al snel klommen we volledig à l’improviste verder in ZZO-richting langs de linkerkant van een stortbeek, komende van de Estanhols de Naut de Marimanha. De eerste serieuse blokkenvelden van de tocht moesten we hierbij oversteken, afgewisseld met steile klimmetjes en traversés door het gras. De terugblikken naar het noorden werden stilaan redelijk fenomenaal. Iets voor 9u bereiken we na het lastige stuk dan het grote plateau onder de Coll d’Airoto (2510m), waar in een ruig en stenig landschap de dikwijls nog half bevroren Estanhols de Naut de Marimanha lagen uitgestrooid. Het was nog maar een heel kort en eenvoudig stukje voor we de col bereikten.

Het was erg koud op de col. In het zuiden trokken stomende wolkenmassa’s van west naar oost en hulden heel wat toppen in de wolken, waarbij boven de Aiguestortes blijkbaar nog steeds buien vielen. Naar het noorden was de hemel vrijwel helder blauw. Normaal was het de bedoeling om vanaf deze col naar het westen via een wat moeilijker stuk over de top van de Tuc de Marimanha (2660m) te trekken naar de Circ de Baciver, om van daaruit dan terug in oostelijke richting tot het Estany d’Airoto te trekken, dat we nu ook enkele honderden meters onder de col zagen blinken. We twijfelden wat over deze hoge route gezien het weer en besloten uiteindelijk om gewoon de rechtstreekse afdaling tot het meer te doen. Zo werd na de Crabère, de Maubermé en Malh de Bolard nu ook de Tuc de Marimanha geschrapt. Veel spijtgevoelens had ik er niet over want van hieruit oogde de klim saai.

Het was iets voor 10u toen we aan de afdaling begonnen. Van een duidelijke route zoals die op de kaart stond ingetekend was alweer geen sprake. Na enkele minuten waren we de met steenmannen gemarkeerde route – als die al bestaan had – helemaal kwijt. We daalden vrij steil over rotspartijen en blokken tot het kleine Estanyet de Marimanya d’Isvarre, kort onder de col, en vandaar meestal over gras doorheen enkele depressies verder tot de noordrand van het Estany d’Airoto, een groot meer met rondomrond steile puinhellingen en blokkenvelden. Hier begon de miserie pas echt. Een moeilijk blokkenveld werd overgestoken, gevolgd door een wel zeer steile traversé over natte grashellingen aan de westpunt van het meer. We moesten ons bij momenten aan het gras en de struiken vastklampen om niet een heel stuk naar beneden te glijden. Bij momenten was het op het randje van verantwoord en aan Nicolas z’n gezicht kon ik afleiden dat hij het helemaal niet leuk meer vond. Pauzeren was hier echt geen optie. Opnieuw over blokkenvelden en door het struikgewas sukkelden we verder langs de oever van het meer tot we uiteindelijk op een grasvlakte terechtkwamen aan de zuidpunt ervan, vlakbij de Refugio d’Airoto. Vanaf de col hadden we er meer dan anderhalf uur over gedaan. Een pad of spoor was nergens te bespeuren geweest.

We pauzeerden bijna twee uur lang om de batterijen weer op te laden en begonnen dan te klimmen naar de Collada del Clot de Moredo (2429m). Hier hadden we gelukkig wel een redelijk duidelijk pad te pakken en vlot klommen we tot de col. Er waren mooie terugblikken op het meer. Naar het oosten was doorheen het Vall de Moredo in de verte de imposante, geblokte Mont Roig te zien. Daar zouden we morgen naartoe trekken. Maar ik zag nog iets anders. In het noordoosten rees een massieve, kalkstenen burcht op, een berg die de hele omgeving domineerde. Het was de Pic de Moredo (2750m). Ik was meteen stapelverliefd op deze berg en zocht de hellingen af naar een mogelijke klimroute. Van hieruit zag het er zeer doenbaar uit om de top te bereiken door eerst een stuk te klimmen doorheen het Clot de Moredo, om dan steil door het puin naar een opvallende col te klimmen in de Roca Blanca, de schitterende zuidgraat van de berg. Over de geaccidenteerde graat de top bereiken zag er moeilijk uit, maar ik analyseerde de kalksteen op de andere toppen in de buurt, zoals de Pic de Quenca. Daaruit kon ik afleiden dat de lagen doorheen een brede synclinale plooi dwars door het dal zo’n 25° ZO helden op de Pic de Moredo en aan de kaart te zien was dat ook de helling van de berg aan de andere kant van de Roca Blanca. Ik was er dus vrij zeker van dat ik over steenplaten van de ruwe kalksteen de top zou kunnen bereiken. Ik zou het proberen, vanavond. Na al die schrappers was het tijd voor iets extra.

De afdaling naar het Estanyola del Clot de Moredo verliep op automatische piloot. Dit meertje ligt recht op een lithologische grens tussen het granietmassief waar we de hele dag hadden doorgelopen en dat het grootste deel van Marimanha-Bonabé-massief uitmaakt, en een uitloper van de brede kalksteenband waartoe een groot deel van het noordelijke Vall d’Aran behoort. Deze grens is spectaculair zichtbaar op de noordflank van Pic de Quenca en heeft ook z’n hydrologische gevolgen : aan de oostpunt van het meertje verdwijnt het water in de grond, om via een ondergronds systeem een kilometer verder naar het oosten terug tevoorschijn te komen. We bereikten dit meertje rond 15u en maakten van de af en toe tevoorschijn komende zon gebruik om nog wat kleren te wassen. Naar de avond toe loste de bewolking stilaan op. Ik pakte mijn boeltje in en begon rond 18u10 aan de beklimming, terwijl Nicolas wat verderlas in z’n boek bij de tent.

De beklimming verliep perfect zoals ik ze van boven had ingeschat. Makkelijk liep ik doorheen het groene Clot de Moredo omhoog, krabbelde eenvoudig de puinhelling op tot de col, traverseerde een stukje in NO-richting over de ruwe steenplaten waarbij ik onder enkele puinhelling doorliep, en bestormde tenslotte frontaal de berg ergens halfweg tussen de zuid- en de oostgraat toen de helling wat flauwer werd. Ik pauzeerde de hele klim niet en klom zonder rugzak behoorlijk hard naar boven. In 50 minuten had ik de klus geklaard, in totaal toch 520m klimmen.

Het uitzicht was fenomenaal. Zonder te twijfelen durf ik te zeggen dat de Pic de Moredo, ondanks z’n ‘bescheiden’ 2750m, één van de mooiste uitzichtsbergen is die ik al beklom in de Pyreneeën. Frankrijk en het Vall d’Aran waren volledig gevuld met mist, die over lage cols zoals de Port de Salau de grenskam overrolde maar aan de Spaanse kant meteen oploste. Aan de hemel dobberden nog de laatste platte cumuluswolken over. In het westen was de Mont Roig op de voorgrond imponerend. Daarachter was zeer duidelijk het Estats-massief te zien, waar nog heel wat sneeuw op de toppen lag. Ook de toppen van westelijk en zuidelijk Andorra waren duidelijk zichtbaar. Het brede Vall d’Aneu kon ik in de lengterichting doorkijken. In het zuiden was de machtige pyramide van de Pic de Quenca, met dus die lithologische grens die recht uit een inleidend fotoboek geologie zou kunnen komen, dominant op de voorgrond. Daarachter was er een heel bijzonder uitzicht op de volledige noordelijke en centrale Aiguestortes. Opnieuw was duidelijk dat vooral in het westelijk deel van dit massief nog zeer veel sneeuw lag. Het Aneto-massief was als een donker silhouet zichtbaar onder de laagstaande avondzon. En dan waren er ook nog de groene hellingen aan de noordelijke kant van het met mist gevulde Vall d’Aran. De Mont Valier, van hieruit slechts een 8-tal kilometer pal naar het noorden, domineerde de omgeving.

Ik gaapte lang in het rond vanop de Pic de Moredo. Uiteindelijk was tijd gekomen om terug af te dalen. Na drie kwartier dalen stond ik weer aan de tent, waar ik Nicolas moest meedelen dat hij iets had gemist. Maar als we samen op pad zijn is het bijna een traditie dat ik een wandelingetje maak ’s avonds terwijl hij rustig aan de tent zit. We genieten allebei zo hard van die uren op ons eentje in de bergen, elk op onze manier.

Dag 6 : Dinsdag 08/07/2008 : Estanyola del Clot de Moredo (2230m) – Estanys de la Tartera (2370m)

Vertrek : 7u20
Aankomst : 16u20
Wandeltijd : 6u50
Klimmen : 1300m
Dalen : 1160m
Bergpassen : Coll de la Cornella (2482m)

We hadden er een rustige, heldere maar wel frisse nacht opzitten. Zoals gewoonlijk waren we om 6u30 uit de veren en om 7u20 lieten we het Estanyola del Clot de Moredo achter ons. Over kort gras doorkruisten we eerst een doline om dan aan de afdaling te beginnen, die verliep over een duidelijk spoor. Al snel kregen we aansluiting op een grindwegje dat zich met brede haarspelden naar beneden slingerde. Volgens de kaart zouden er enkele afsteken zijn, maar deze vonden we niet meteen dus liepen we maar gewoon over het wegje naar beneden, tot aan de afslag naar de Bordes de Moredo. Daar zouden we de rechtstreekse HRP-route naar Alos d’Isil opnieuw proberen oppikken.

Eenmaal aangekomen tussen de boerderijen probeerden we het pad naar beneden te vinden. We liepen tot een 100 meter door langs de helling en speurden de omgeving af. In het lange gras sprongen 2 hertenjongen weg, maar een pad, neen, dat vonden we niet. Na een kwartiertje gaven we het op en foeterend keerden we terug naar de afslag van daarnet. Het alternatief tot Alos d’Isil was een eindeloze afdaling via Bordes de Lapre tot in het dal. Goed, verstand op nul dan maar en doorstoempen. Na een heel lang en oersaai stuk in opkomende hitte bereikten we dan eindelijk het dal. Hier volgden we nu nog 2km het asfaltwegje stroomopwaarts langs de Pallaresa, die zich hier diep had uitgeschuurd in de kalksteen. Rond 10u30 bereikten we dan eindelijk Alos d’Isil, door dat gepruts en rondlopen toch een stuk later dan gedacht. Nu hadden we 13km gestapt zonder pauze.

Op het dorpspleintje voor de kerk stonden enkele bankjes waar we op neerploften. Van Alos d’Isil had ik al enkele foto’s gezien, maar toch keek ik mijn ogen uit op enkele van de oude huizen die hier stonden en ook nog bewoond werden ; terrassen uit vermolmd hout, overal afschilferende verf. Enkele plaatselijke oudjes slenterden door de straten en maakten allemaal een praatje als ze elkaar tegenkwamen. Er werd hier nog geleefd in een andere versnelling. We liepen nog even naar het kerkje en zoals altijd in de bergen was het overweldigend om te zien hoeveel verse bloemen er stonden, bij alle graven, ook die van meer dan vijftig jaar oud. Wat een contrast met bij ons, waar een jaarlijks kerkhofbezoek dikwijls niet meer lijkt dan een morele verplichting lijkt in de periode rond 1 november. De bergen, waar de doden ook na lange tijd voortleven in de herrinnering van de mensen en niet enkel in de archieven van het gemeentehuis. Het stemt tot nadenken.

Na zowat een uur lieten we Alos d’Isil achter ons en liepen we nog een stukje over het asfalt verder tot Bordes de Pina, waar we via een brugje de rivier overstaken en over een brede veldweg tot aan de schuurtjes klommen, zo’n 100m boven de valleibodem. Hier vonden we net achter de bouwsels makkelijk het pad terug dat we nu zouden gaan volgen tot in de kern van het Mont Roig – massief. We vonden snel ons ritme en vorderden snel tot het bos, ondanks de hitte. Mijn waterverbruik was alweer niet bij te houden vandaag. Alleen al tussen Alos d’Isil en de Coll de la Cornella dronk ik twee volle waterzakken van 3L leeg, op nauwelijks 4u tijd.

Vanaf 1800m klommen we stilaan het bos uit en op 1900m kwamen we dan op een fenomenaal mooie vlakte terecht, waar de stortbeken komende van de verschillende hoeken van het westelijke deel van het massief samenvlechtten tot een grote stroom. Een waterval donderde omlaag vanaf het meertje op de route naar Coll de la Cornella, de hele hellingen waren geel en paars gekleurd door de bloeiende brem en rododendrons. Maar nog specialer was dat het hele dal daarenboven ook nog eens gevuld was met een heerlijke, indringende bloemengeur. Dit was eigelijk doodgewoon het perfecte moment van de zomer om hier te komen wandelen : nog bijzonder rustig (vandaag zagen we welgeteld twee andere wandelaars), het bloeiseizoen op z’n maximum, en sneeuwvelden die het landschap een extra dimensie gaven maar toch al genoeg gesmolten waren om nog vrij vlot hogere cols te kunnen oversteken.

Normaal gezien wouden we vanaf deze vlakte een rechtstreekse route naar de Collado de Mont Roig oppikken en de gelijknamige berg eventueel vanaf de col beklimmen. Een route was er echter opnieuw niet te bespeuren en we hadden vanochtend al genoeg geknoeid, dus besloten we om (na een lange pauze onder een nog steeds heldere hemel) de wel zeer duidelijk route naar Coll de la Cornella te nemen. Het volgende anderhalf uur klommen we eerst langs de waterval omhoog tot het kleine meertje, en ploegden daarna over enkele puin- en blokkenvelden omhoog tot we uiteindelijk een kom bereikten onder de steilere slotfase van de beklimming. Hier lagen nog enkele grote sneeuwvelden. We klommen eerst een stuk frontaal omhoog over een grashelling om daarna door de sneeuw licht klimmend te traverseren tot net onder de col. Hierbij bond ik op het steile sneeuwveld tijdelijk mijn stijgijzers aan en stampte een voor Nicolas makkelijk bewandelbaar spoor. Nog een klein stukje over het puin en we stonden op de col. Het was 15u45 geworden.

De terugblik vanop de col bood een mooi uitzicht op de belangrijkste toppen waar we de voorbije dagen in de buurt van hadden gelopen : van links en rechts waren de Pic de Moredo (2750m), de Pic de Serre Haute (2705m) en de Tuc de Maubermé (2880m) duidelijk te zien. Aan de andere kant keken we nu het centrale deel van het verlaten Mont Roig – massief in, met pal onder ons het glinsterende water van de Estanys de la Tartera. Daar wouden we ergens bivakkeren. Eerst dienden we echter nog de bijzonder steile puinhelling aan de oostkant van de col veilig te nemen. Ik ging eerst en stapte en gleed voorzichtig naar beneden. Ik week wat naar rechts uit en daalde verder met rugdekking van een rotswand, zodat ook Nicolas kon beginnen dalen zonder dat ikzelf gevaar liep voor steenslag. De eerste 50m onder de col waren de steilste. Daarna daalden we nog steeds steil maar wel makkelijk en ongevaarlijk verder over een grashelling en vervolgens over een licht hellend sneeuwveld om zo de meren te bereiken.

Er lag bijzonder veel koeienstront maar we vonden toch een plekje waar we proper de tent konden opstellen. Er kwam intussen meer hoge bewolking opzetten maar die zag er ongevaarlijk uit. Na het avondeten deed ik nog mijn traditionele avondwandelingetje. De Mont Roig was na de reeds lange dag te hoog, dus klom ik tot de kleine meertjes zo’n 150m boven het kamp. Ze waren nog allemaal bevroren. Ik had een prachtig zicht op de Estanys de la Tartera en het Estany de Buixesse, met doorheen het Vall d’Ernari opnieuw een zicht op de toppen van de westelijke Aiguestortes. Het zag er allemaal zeer vriendelijk uit vanavond, maar vorig jaar was ik doorheen dit zelfde Vall d’Ernari getrokken en toen had ik deze volstrekt eenzame vallei bijna als angstaanjagend ervaren. Die dag waren er dingen met mij gebeurd die ik nog altijd niet helemaal kan plaatsen. Telkens als ik het voorbije jaar aan die middag terugdacht liep er een rilling door mijn lichaam. Nu keek ik er opnieuw door die vallei en overviel mij een duister gevoel. Hier hoog in het dal zat ik veilig op mijn troon, maar daar beneden was alles reeds gehuld in grauwe schaduwen. Ik daalde terug af. Maar het donkere dal en die 14e augustus 2007 bleven door mijn hoofd spoken.

Dag 7 : Woensdag 09/07/2008 : Estanys de la Tartera (2370m) – Borda de Llamota (1690m)

Vertrek : 9u05
Aankomst : 16u35
Wandeltijd : 5u15
Klimmen : 800m
Dalen : 1380m
Bergpassen : Coll Curios (2420m), Coll del Forn (2518m) , Coll de Campirme (2024m)
Bergtoppen : Pic del Coma del Forn (2675m), Campirme (2633m)

De wekker stond om 6u30, maar het was al 8u10 toen we plots wakkerschrokken. Verdoeme toch, allebei weer ingedomeld, en we wisten dat het vandaag een warme dag zou worden. De beste wandeluren hadden we dus al gemist. De zon stond al hoog aan de diepblauwe hemel toen we uiteindelijk rond 9u05 op pad gingen. Makkelijk klommen we over een rood-wit gemarkeerd spoor naar de Coll Curios (2420m). Ik was er vanaf overtuigd dat deze markeringen vorig jaar nog niet bestonden. Boven op de col stond een wandelwegwijzer waar ik vorig jaar getuige was geweest van de plaatsing ervan. Ook op deze paal stonden wit-rode verfstrepen en zo wist ik dus meteen dat deze markering inderdaad was geplaatst ná mijn doortocht van vorig jaar.

Op de Coll Curios hadden we net als vorig jaar een geweldig uitzicht op het rimpelloze wateroppervlak van het Estany de Calaberente en het Estany de la Gola. Anders dan vorig jaar daalden we af, liepen langs de boorden van deze prachtige meren en klommen daarna een drempel over om zo Els Tres Estanys te bereiken, een groep meren op een grote vlakte in het hart van het massief. Al die tijd liep ik met open mond in het rond te gapen. Zo mooi en zo verlaten, het Mont Roig – massief blijft voor mij een van de mooiste verborgen parels van de hele Pyreneeën. We kwamen vandaag overigens opnieuw de hele dag geen mens tegen. Niemand leek deze hoek al ontdekt te hebben, en dat mocht voor mij best wel zo blijven.

We namen een korte pauze bij het bereiken van het eerste meer en vulden onze watervoorraad tot het absolute maximum bij, zowat 3,5L. Het was immers de bedoeling een wat ongebruikelijke doorsteek te nemen over de kam, vanaf de Coll del Forn helemaal naar het zuiden over de toppen van Pic del Coma del Forn en Campirma tot aan de Coll de Campirme, om vanaf daar dan af te dalen naar de beschaving, iets dat we echter voor morgenvroeg wilden houden. Even opschudding bij het traverseren van het 712e sneeuwveldje van de dag : het was er eentje dat uitliep in één van de meertjes. Zelf liep ik voorop, en traverseerde zowat 4 meter boven het niveau van het meertje. Wanneer ik er overheen was hoorde ik plots een doffe “KRRRRR….KA-BOUM” achter mij. Opgeschrikt keek ik achter mij en zag Nicolas paniekerig het sneeuwveld opglibberen. Voor ons ogen ontstond precies op de plaats waar ik daarnet had gelopen een diepe scheur in het sneeuwveld, waarvan de onderste helft het meer inkantelde en daar een soort tsunami veroorzaakte die langzaam over het meer rolde, terwijl het water troebel werd van het door de golf omgewoelde bodemmateriaal. De helling van het sneeuwveld was wel zeer gering en zelfs als het gebroken was terwijl we er net overheen liepen was het niet echt gevaarlijk geweest.

Goed, na deze commotie klommen we makkelijk maar hors sentier door het gras verder naar de brede Coll del Forn. Van hieruit draaiden we nu frontaal naar rechts de helling op om de Pic de Coma del Forn (2670m) te bereiken, vanwaar we in principe vrij vlak zouden kunnen vorderen over de kam. Maar de klim naar deze top zag er wel straffe kost uit : een zeer steile puinhelling, en een pad of spoor was er andermaal niet te bespeuren. We liepen eerst een stukje over de kam zelf en draaiden dan wat meer linksop om zo het steilste stuk te vermijden. Bij het maken van geïmproviseerde zigzags was het elk om beurt even stilstaan om het gevaar voor steenslag voor de andere te beperken. Uiteindelijk bereikten we dan de oostgraat op zowat 2630m en vanaf daar vorderden we over eenvoudig terrein naar de top (11u20).

Het uitzicht mocht er zijn. We overschouwden nu grote delen van het Mont Roig – massief. De Tres Estanys lagen nu diep onder ons. In het oosten zag ik in de diepte Noarre liggen, en van daar de hele route die ik vorig jaar had genomen tot op de top van de opvallende Tuc de Certascan (2853m). Verder weg was er opnieuw het Estats-massief. In het zuiden en het westen zagen we opnieuw de volledige noordzijde van de Aiguestortes liggen, met een frontaal zicht op de nog besneeuwde Besiberri’s. Daarachter de massieven van Aneto en Perdiguero. Ook de voornaamste toppen die we de voorbije week waren gepasseerd waren opnieuw allemaal te zien.

We pauzeerden een tijdje om eens goed rond te kijken en begonnen daarna zuidwaarts te trekken over de brede kam. Her en der kwamen we enkele orri’s tegen. Onder ons verschenen nog enkele zelden bezochte bergmeren zoals het Estany del Diable. We vorderden vlot, tot na een korte beklimming naar een bijna gitzwarte top ons pad plots versperd werd door een diepe bres in de kam. Het ging zowat 10 hoogtemeters steil naar beneden, en aan de andere kant tegen een bijna loodrechte wand terug omhoog. Daar hing een kabel gespannen. Ik daalde zonder rugzak af om het terrein te verkennen. De afdaling was nog makkelijk doenbaar, maar de beklimming was mij net iets te luchtig en met de weinig grepen om zonder risico te nemen naar boven te gaan, zeker met een grote rugzak. Waaghalzen kunnen dit altijd komen proberen, voor een handig iemand moet het wel doenbaar zijn.

Het was een beetje frustrerend omdat de kam na deze passage duidelijk terug zeer makkelijk werd en bleef tot Campirme (2633m), maar we moesten terug. Over een kleine rug daalden we 300m steil tot het Estany del Diable, waar we rond 13u aankwamen. We pauzeerden even nabij het meer, waar het wemelde van de kikkers. Het uitzicht op het Certascan-massief was van hier opnieuw geweldig. De bres die ons daarnet had tegengehouden was van hieruit ook goed te zien. Zo rond 13u20 begonnen we dan in zuidelijke richting te klimmen over een duidelijk zigzagspoor. Zo bereikten we al snel de zeer brede, door paarden begraasde noordoostkam van Campirme. Door het gras klommen we à l’improviste verder en zo bereikten we uiteindelijk terug de kam die we daarnet hadden moeten verlaten. Het was niet ver meer naar de onopvallende top, waar zo’n typisch Spaans betonnen paaltje op stond, door de landmeters gebruikt als geodetisch referentiepunt.

We maakten wat onnozele foto’s op de top en begonnen dan al snel te dalen. Het was toch windstil en ongenietbaar warm in de zon, dus konden we evengoed meteen doortrekken tot onder de boomgrens. Een uur lang liepen we zo relaxed over de geleidelijk dalende Serre de Campirme, met steeds geweldige uitzichten in alle richtingen, over Estats, Aiguestortes, Aneto en nog zoveel meer. In de verste verte was geen mens te zien. We knoopten een heleboel sporen aaneen en vorderden snel in de richting van de Coll de Campirme, die we de hele tijd in de diepte zagen liggen en makkelijk herkenbaar was door een grindwegje dat naar de col liep. Zalig lopen was het hier. Rustig rondkijken zonder te struikelen. We vonden het bijna jammer toen we rond 16u10 beneden stonden.

Water was hier nog niet te vinden, dus zouden we nog een stukje dalen in de richting van Borda de Llamota, een schuur die wat dieper in het dal richting Esterri d’Aneu zichtbaar was. Daar was er schijnbaar ook een groot weiland waar we wel een plekje voor de tent zouden vinden. Op de kaart stond een rechtstreekse route ingetekend, die net rechts van de beek tot daar liep. Veel pad leek er niet te bespeuren, maar we besloten het er toch op te wagen en onszelf zo een vijftal kilometer over saaie pista’s te besparen. Eerst daalden we steil door het bos, daarna kwamen we in een soort macquis terecht. Soms kwamen de stekelige struiken tot op borsthoogte. Er was wel een zeker spoor aanwezig, maar dikwijls moesten we er ons toch doorheen worstelen. Ik vloog erdoor en daalde de 300m op goed twintig minuten. Toen ik beneden kwam zaten armen en benen onder het bloed, door de vele schrammen. Maar we hadden ons toch geamuseerd, in plaats van die oersaaie piste. Onder enkele berkenbomen zetten we de tent recht op het vlakste stukje grond dat we konden vinden. Na de passage van een grote kudde koeien ’s avonds vielen we al snel in slaap.

Dag 8 : Donderdag 10/07/2008 : Borda de Llamota (1690m) – Esterri d’Aneu (970m) – Espot

Vertrek : 7u20
Aankomst : 9u30
Wandeltijd : 1u50
Klimmen : 0m
Dalen : 720m

Vandaag stond er enkel nog een zeer korte daaletappe op het programma tot aan de beschaving. Veel valt er niet over te vertellen. We vertrokken om 7u20 en liepen via de pista naar beneden tot het bereiken van het piepkleine dorpje Burgo. Hier wilden we graag een doorsteek vinden rechts naar beneden in plaats van nog eens 5km rond te lopen over het asfalt tot Esterri d’Aneu. De eerste local die we tegenkwamen was een oude vrouw, die uiteraard enkel Spaans kon. Met gebarentaal, ons lexicon van 50 woorden Spaans en vooral veel hilarische taferelen die Manuel uit Fawlty Towers ons niet had nagedaan begrepen we dan uiteindelijk dat er inderdaad een pad was. Het vertrekt net voorbij de onderste huizen van het dorpje, net voor het bereiken van een brug over de beek. Daar is er een afslag naar links, over een pad dat met gele circels is gemarkeerd. Dit goed onderhouden en gemarkeerd pad liet ons toe om zeer eenvoudig en snel te dalen tot Esterri d’Aneu.

De supermarkt wist ik nog zijn van vorig jaar. Nicolas kocht er eten voor 4, ikzelf voor 8 dagen, voor het tochtgedeelte doorheen de Aiguestortes. Makkelijk liftten we daarna verder tot Espot. We wandelden verder tot camping Voraparc, waar we ook vorig jaar klant waren. Het voelde een beetje als thuiskomen. Voraparc is een gezellig camping met familiale sfeer. De uitbaatster kende ons zelfs nog van vorig jaar! We maakten er een luie middag van, in de zon, aan het zwembadje. We hadden een geweldige week gehad aan de vergeten noordkant van het Vall d’Aran. Nu was het even tijd om te relaxen. Maar in mijn achterhoofd schoven al de toppen van de Aiguestortes voorbij, die we vanaf morgenmiddag zouden doortrekken.

Conclusie

Landschappelijk heeft deze tocht de hooggespannen verwachtingen volledig kunnen inlossen. Enige kleine frustratie voor mezelf was dat ik door omstandigheden minder toppen dan gepland heb kunnen doen. Voor een ervaren bergwandelaar die een uitdagende, eenzame, oer-Pyreneese ervaring wil, kan ik deze tocht van harte aanbevelen. Op een week tijd kwamen wij slechts 11 andere wandelaars tegen. Geen enkel gebied in dit gebergte is rustiger. Toch is dit landschappelijk een verborgen paradijs : de groene hellingen, verborgen bergmeren, klaterende bergrivieren overal rond… zuiverder dan hier kan je de Pyreneeën niet vinden. Hou het stil.

Parcours
Wandeltechnisch is deze tocht behoorlijk gemakkelijk. Meestal wordt er door groene landschappen gelopen met weinig ruig terrein. Enkele passage’s die toch vermeld moeten worden, en voor mensen zonder gebergte-ervaring te moeilijk of indrukwekkend kunnen zijn : de zuidkant van de Coll d’Airoto (afdalen over steile puinhellingen en blokkenvelden), de oostkant van Coll de la Cornella (afdalen over zeer steile puinhelling, gevaar voor steenslag), en de klim naar Pic de Coma del Forn (steile puinhellingen, kans op steenslag).
Paden zijn echter dikwijls quasi tot helemaal afwezig, waarbij men zelf de route moet vinden. De nodige kennis van kaart en kompas is dus absoluut noodzakelijk, een neus voor de juiste richting kan handig zijn. Vooral omwille hiervan vind ik deze tocht niet geschikt als eerste bergtocht. Daarvoor zijn er betere gebieden in de Pyreneeën.

Overnachting
Slechts 2 bemande berghutten zijn aanwezig langs de route : de Refuge d’Araing en de Refugi de Amitges de Montgarri. Daarnaast is er nog de onbemande Cabana de Marimanha (slaapzak en matje noodzakelijk). In de praktijk is het dus enkel mogelijk om deze tocht met de tent te lopen. Bivakmogelijkheden zijn er langs de hele route in overvloed aanwezig.

Bevoorrading
Geen aanwezig onderweg, behalve zeer beperkt assortiment in de bemande berghutten en mogelijks brood in Alos d’Isil (hierop mag men echter niet rekenen).

Transport
Sentein : TGV tot Toulouse, plaatselijke trein naar Boussens, bus naar Saint-Girons. Vanaf daar werd er gelift. Tot begin juli en vanaf september rijdt er een schoolbusje tot Sentein.
www.tgv-europe.com
www.ter-sncf.com

Esterri d’Aneu : Dagelijks rechtstreekse bussen naar Barcelona
www.continental-auto.es

Beste periode
Eind juni (sneeuwvelden waarschijnlijk) – september, eventueel nog begin oktober
Begin juli vond ik ideaal : nog wat sneeuwresten, de bloei van de planten op z’n maximum.

Reacties

Bruno M

Die panorama’s moet wel nog wat aan gecropped worden hé grin

Bruno M

Mooi verslag en ditto foto’s trouwens.

Het eerste deel is heel herkenbaar beschreven.
Warme gevoelens wellen op bij het lezen van jouw verslag.
Inderdaad een heel bijzonder gebied.


U bent aan het woord

Naam:

Email:

Locatie:

Website:

Onthou mijn gegevens

Hou me op de hoogte van verdere reacties?

Lokatie

  • Beschrijving

    In de buurt van de Frans-Spaanse grens langsheen de noordkant van het Vall d’Aran, Centrale Pyreneeën

  • Geschatte totale afstand
    Zowat 7000m klimmen en dalen
  • Kaarten

    Mapa Excursionista / Cartes de Randonnées 1/50000 : nr.22 Pica d’Estats – Aneto
    (absolute minimum)

  • GPS coordinaten vertrekpunt
    42.86803829853183 (lat), 0.9268856048583984 (lng)

Steekkaart

  • Deelnemers
    Nicolas en ikzelf
  • Reisdatum
    van 03 juli tot 10 juli 2008
  • Type van de activiteit
    Wandelen
  • Moeilijkheidsgraad
    Heel goede conditie vereist. Geen technische moeilijkheden..

Fotoalbum


Bekijk alle foto's in het fotoalbum.

Wie bent u?
Aanmelden | Registreren

Copyright © 2008 Hiking-info.net | .
Niets mag gekopieerd worden zonder voorafgaande toestemming van de respectieve maker of auteur.
Alle rechten voorbehouden.