Over de Hoge Venen en langs Warche en Amblève
De hoogtepunten van de Oostkantons
Fre wou het dal van de Amblève en Warche verkennen en ik de Hoge Venen. Wat doe je dan? Allebei natuurlijk. Het resultaat was een vierdaagse tocht van Eupen naar Stavelot, langsheen de hoogtepunten van de Oostkantons.
Verslag van Willem, 09 april 2008.
Dag 1 : Eupen – Kaiser Karls Bettstatt (23km)
Het liep tegen tienen toen de trans-belgië-express het station van Eupen binnenbolde. Na een bezoekje aan de plaatselijke bakker wandelden we de hoofdstad van Duitstalig België door richting Unterstadt. We herschikten onze rugzak nog wat en na de verkrachting van de hobbelpaardjes in het Temsepark gingen we uiteindelijk echt op weg.
Doorheen het dal van de Weser ging het stroomopwaarts naar het stuwmeer van Eupen, terwijl de kenmerkende tsjif-tsjaf van de zilp-zalp door de bossen klonk. Na een goed halfuur wandelden we dan nabij het stuwmeer het Massief van Stavelot binnen, uiteraard met een plechtig bezoekje aan de lokale discordantie. Daarboven waren ze aan het twijfelen, dus stopten we wat verder even om wat regenspullen aan te trekken.
Het was nu heel wat asfalt stoempen langs het meer en verder via Mospert naar het Pissevenn, een klein veengebiedje ten noordoosten van het stuwmeer. Vettige modder gaf ons alvast een voorsmaakje van wat ons morgen langs de fameuze Hellestrook te wachten zou staan. Een beetje verderop hielden we een eerste lange pauze op een droog stukje van het veen.
Een korte afdaling bracht ons naar de samenvloeiing van Weser en Eschbach. Het kompas kwam er even bij te pas om de juiste richting te bepalen, als je inpikt op een gemarkeerde rondwandeling is de markering in alle richting precies hetzelfde. Enfin, met Silva-kompassen valt niet te spotten en zeker niet als ze geologisch zijn, en al snel liepen we pal zuid stroomopwaarts langs de Eschbach. Pas veel later geeft Okje in een moment van zwakte toe dat ze zo’n stoer geologisch kompas eigelijk enkel meezeult voor het spiegeltje.
De mooie Eschbach werd nu onze gids op weg naar het eerste grote veengebied, Kutenhart. Dit is zeer zeker een van de mooiste beekjes van de Hoge Venen. We stopten regelmatig eventjes om rond te kijken. Het contast met zes maanden geleden, toen ik hier ook al eens was, was enorm. De weelderige varenvegetatie van toen was helemaal verdord. Zeeën van narcissen kondigden een nieuw groeiseizoen aan. Uiteindelijk zegden we de Eschbach vaarwel en over een door everzwijnen omgeploegd pad liepen we langs de noordkant van het Kutenhart, dat we daarna over de oostelijke plankjes doorkruisten. Ons oog speurde naar korhoenen maar zelfs met onweerstaanbare lokroepen kregen we ze niet te zien.
Het was intussen snel redelijk laat aan het worden en ons eindpunt van de dag werd de schuilhut bij Kaiser Karls Bettstatt, die ik nog kende van een vorig uitstapje. Het Steinley Venn zou voor een volgende keer zijn. Het was nog een lang stuk langs het Allgemeines Venn en het Brackvenn en pas rond zevenen ’s avonds kwamen we uiteindelijk aan. We maken ons avondprakkie klaar met veenwater, dat we toch allemaal ervaren als ‘neutraal smakend’. Nog een flesje wijn soldaat maken en dan spreidden we ons bedje uit. Fre en Okje zetten de tent recht terwijl ik binnen mijn matje uitrol en onze kostbare bezittingen moet beschermen van Duitse struikrovers. De nacht valt…
Dag 2 : Kaiser Karls Bettstatt – Ovifat (21km)
Het was nog niet eens zeven uur als door mist en natte sneeuw een eerste indringer kwam aangejogd vanuit Mutzenich. Taaie mens, zeg. Ik werd wakker van zijn voetstappen vlak naast de schuilhut en wanneer ik mijn kop boven de tafel uitsteek zag ik hoe hij zich stond te stretchen aan de bank, op nauwelijks een meter van de tent van Fre en Okje. Pas na een halve minuut merkte hij mij op, en maakte meteen een sprong alsof ik van Pluto kwam. Welke idioot ligt daar ook te slapen in die schuilhut?
Ik maakte Fre en Okje wakker, maar Okje vroegen we om toch nog even in te tent te blijven. Het zou wat worden, als die dramaqueen zou zien dat het sneeuwde. Ze was er ten slotte van overtuigd dat dit geen wintertrekking was en had uit pure koppigheid handschoenen thuis gelaten. En muts? Mutze nich!
We namen op ons gemakje ons ontbijt want het bleef intussen matig doorregenen en –sneeuwen. Uiteindelijk rond negen uur gingen we op weg richting Brackvenn. Regen en mist zorgen voor een fantastische, mystieke sfeer op het veen. De stilte was overdonderend. Hier en daar lag zelfs nog wat sneeuw van de winterprik vorige week. Alhoewel, na zo’n bal in ons gezicht te hebben gekregen herzagen ik en Fre toch onze mening en besloten we dat het eerder ijs was.
Het Brackvenn zat er al veel te snel op en we liepen nu stroomafwaarts langs de mooie Spohrbach. Het begon intussen steeds harder te regenen en voor de omgeving hadden we al snel niet veel oog meer, tot daar aan onze rechterkant zo’n jagerhutje opdook, waar we meteen binnenstormden. We zaten er lekker droog en hadden een mooi uitzicht op het dal van de Spohrbach en de brede brandgang aan de overkant van de beek. Het was tenslotte een jagershut dus die strategische ligging was niet echt toevallig. Na een dik halfuur hield de regen het min of meer voor bekeken en gingen we weer op weg. Via een avontuurlijk padje langs de benedenloop van de Spohrbach bereikten we zo al snel de doorwaadplaats van de Helle, terwijl het intussen helemaal droog was geworden.
We bonden onze getten aan want nu zouden we ons aan het fameuze modderstuk langs de Helle naar Fagne Wallonne gaan wagen. Meerdere mensen hadden mij op voorhand de stuipen op het lijf gejaagd met verhalen van heupdiepe modder, en ja, we hadden er net de natste maand maart sinds het begin van de metingen opzitten. We staken de Helle toch maar over via het nieuwe brugje en begonnen er daarna aan.
De eerste kilometers van het Hellestuk waren, zeker naar Belgische normen, van uitzondelijke schoonheid. Het riviertje kronkelde zich door uitgestrekte, doorweekte veengebiedjes. Zelfs de zon werkte nu eventjes mee. Op een droog plekje was ons besluit om middagpauze te houden snel genomen. We waren helemaal alleen, van het Brackvenn tot op de Botrange kwamen we uiteindelijk zelfs geen enkele mens tegen. Veel plekken waar dat lukt zijn er niet in België.
Het veen maakte wat verder plaats voor een wat meer bebost stukje waar de modder stilaan toch wat dieper werd, maar écht vettig werd het toch nooit. Dat lange Fre niet tot zijn middel wegzakte zal niet verbazen, maar zelfs Okje met haar 1m63 worstelde zich met een verdomd propere broek richting Fagne Wallonne. Daar maakte modder al snel plaats voor plankjes. Een koude noordwester joeg de wolken laag over het eindeloze veengebied. De ranke boomtoppen van Noir Flohay in het noorden maakten het desolate plaatje compleet. De Helle werd steeds smaller en verdween tenslotte helemaal in de zompige veengrond terwijl we opstoomden naar het hoogste punt van België.
Het zou natuurlijk België niet zijn moesten we hier niet verwelkomd worden voor voorbijrazende vrachtwagens op de grote weg. Een kort verplicht klimmetje naar de trap op 700m en dan snel richting Natuurcentrum een goeie kilometer verder, waar we aan de grote open haard eventjes de warmte door ons lichaam lieten stromen.
We hadden het redelijk rustig aan gedaan en het liep alweer richting vijf uur. En we moesten toch nog een kilometer of zes doen tot Ovifat. Door een brandgang met nog redelijk veel sneeuw (nog ijsballen in onze smikkel) liepen we richting Bayehon, waar we de grootste natuurlijke waterval van België met een bezoekje vereerden. Ik was toch een beetje ontgoocheld, niet zozeer door de waterval maar wel door het gerooide bos errond, wat de omgeving wat troosteloos maakte.
Daarna liepen we verder door het nauwe dal om uiteindelijk steil te klimmen naar Ovifat, waar we de KBF-refuge binnenvielen. Blij er te zijn want het was een redelijk lange etappe geweest. We waren er de enige gasten en verdiepten ons die avond nog in de werking van kolenkachels, puzzels van de Kleine Zeemeermin en uiteraard trappistenbieren alvorens te gaan slapen.
Dag 3 : Ovifat – Amblève/Rocher de Warche (20km)
Onze wekker ging om 8u, maar vooral Fre geraakte maar niet uit zijn nest vanmorgen en het was al rond 10u30 toen we de deur van de leuke refuge achter ons dicht trokken. Nuja, het was toch een kortere etappe vandaag, toch volgens leider Fre. We trokken naar het stuwmeer van Robertville en liepen onder grote belangstelling van de plaatselijke werkmensen de dam over. Daarna daalden we ter hoogte van het mooie kasteel Reinhardstein het dal van de Warche in.
Dit was alweer zo’n diep, nauw dal en toen aan de overkant een puinhelling en blokkenveld opdook waande ik me zelfs ergens in de bergen. We stopten even voor een rondje eekhoorn- en roodborstjesfotografie. Daarna was het een makkelijke route door het dal stroomafwaarts langs de beek. Het weer was beter dan de vorige dagen, een stuk zachter en nu en dan een schuchtere opklaring. Toch kregen we alweer quasi geen andere wandelaars te zien.
Na een tijdje kregen we een grote steengroeve in de gaten en met een geologe en een geoloog in spe in de groep hielden we uiteraard meteen een middagpauze. Ja, die cracotten met zis-kaas, die moet ik onthouden. Fre z’n fascinatie voor kikkerdril bereikte intussen ongekende hoogten. Elke plas die we op deze tocht waren tegengekomen lag er bomvol mee.
Via een gewaagde doorsteek namen we daarna een route op de zuidflank van het Warchedal die ons uiteindelijk tot de watertoren hoog boven Malmedy leidde. Vandaar daalden we af naar dit troosteloze, geïndrustrialiseerde stadje. We pauzeerden even op het drukke dorpsplein om de route van de rest van de dag te bekijken. Ergens tussen Malmédy en Stavelot zouden we bivakkeren langs de Amblève om dan morgen het laatste stuk tot Trois-Ponts te lopen.
Vanaf Malmédy kreeg ik zelf last van m’n knie en de rest van de tocht werd het voor mij eerlijk gezegd met de kop in de grond afzien. Geregeld moet ik lossen. Okje werd ook moe, wat een spectaculaire stijging betekende van onze kans op het zien van herten. En jawel hoor, daar sprintte er plots één weg in het bos. Niet veel verder daalden we over een bospad af naar de rivier waar we meteen stuitten op een mooi bivakplekje vlak aan het water, nabij enkele door bevers omgeknaagde bomen. We maken er nog een gezellige laatste avond van en kropen tegen tienen in de tent.
Dag 4 : Amblève/Rocher de la Warche – Stavelot (5km)
Die nacht regende het geregeld. Okje was ziek geworden en we besloten om ons eindpunt van de tocht te verleggen naar Stavelot, een vijftal kilometer hiervandaan. Het was een goed uur stappen over brede boswegen in de buurt van de Amblève alvorens we het dorp bereikten. Het regende dikwijls en Fre was de enige van wie het lichaam nog een beetje normaal functioneerde. We waren dan ook behoorlijk blij als we er waren.
Via een busritje naar Trois-Ponts bolden we met de trein terug naar huis. Een beetje een moeilijk einde, dat wel, maar we zijn unaniem dat het een hele mooie tocht was over soms weinig betreden paden, zeker voor herhaling vatbaar!
Conclusie
Prachtige tocht, met als persoonlijke hoogtepunten de Eschbach, het Brackvenn, de Hellestrook en Fagne Wallonne tot Botrange en het Warchedal. Ook een tocht die bewijst dat ook België heel rustig kan : op de Venen kwamen we dikwijls urenlang geen mens tegen!
Transport
Treinen naar Eupen, een per uur (lijn Oostende-Brussel-Luik-Eupen), buslijn Malmedy-Stavelot-Trois-Ponts (een per uur, ook in het weekend), treinen Trois-Ponts – Luik (een per twee uur)
www.tec.be
www.nmbs.be
Moeilijkheid
Meestal bospaden, soms modderig bij de veengebieden en langs de Helle. Markeringen zijn vermeld op de 1/25000-kaart van de Hoge Venen.
Mooi en leuk verslag, maar wat is er nu in godsnaam zo speciaal aan een geologen kompas
?
Lees er hier alles over
http://www.brunton.com/manuals/current/Compasses/GEOTransit.pdf