Hiking-info.net: Informatie over hiking, wandelen, buitensport,...

Verslagen  >  Pyreneeënoversteek, deel II: Oostelijk Baskenland

Pyreneeënoversteek, deel II: Oostelijk Baskenland

Dwars door de ongerepte uitlopers van de Pyreneeën

Deze tocht maakte deel uit van een veel groter geheel, de Pyreneeënoversteek. In het Oostelijke Baskenland komt men in één van de meest ongerepte gebieden van de Pyreneeën terecht. Door omstandigheden week ik vaak van het normale HRP-parcours af en koos voor minder gekende alternatieven. Dit is nog niet het echte gebergte, maar de tocht vindt zijn moeilijkheid in dikwijls urenlange passages zonder pad of markering en de stevige hoogteverschillen. Een niet te onderschatten route. Voor de avonturier die eerder houdt van eindeloze, vriendelijk groene landschappen dan van het ruige hooggebergte.

Verslag van Willem, 12 januari 2008.

11/07/2007 : Dag 7: Saint-Jean-Pied-de-Port – Onderin Vallée d’Errozaté

  • Vertrek : 8u00
  • Aankomst : 18u05
  • Wandeltijd : 7u55
  • Afstand : 31km
  • Klimmen : 1830m
  • Dalen : 1170m

Twaalf uur waanzin. Nee, dat is niet waar, maar toch minstens het laatste stuk. Ik lig uitgeteld op mijn matje. Buiten regen. Enorme afstand afgelegd, maar het niet bepaald cadeau gekregen vandaag.

Om 6u30 opgestaan en ingepakt terwijl het lichtjes aan het regenen was. Omdat er voor het ochtendhumeur niets erger is dan inpakken in de regen duurde het anderhalf uur voor ik vertrekkensklaar was. Om 8u klom ik dus weer over de prikkeldraad, mijn kampeerweiland uit.
De pelgrimsroute moet anders lopen dan aangegeven op de kaart want van pelgrims was aanvankelijk geen spoor. Honderd keer gecheckt of ik wel op de juiste route zat en mij hier honderd keer van verzekerd. Dan maar besloten dat de pelgrims misschien door de vallei werden gestuurd, wat bij twijfelachtig weer wel eens het geval is.
Plots liep ik dan toch tussen de meute.
Jong en oud, groot en klein, wandelaars en fietsers, van over de hele wereld.
Te voet ging ik evensnel als een groepje Sloveense fietsers hier de D428 opsukkelde.
Toen we even later de weg af moesten en via een zigzaggend aardepaadje doorklommen naar de Col de Honto liet ik mij inlopen door een pelgrim met een klimritme dat een stuk hoger lag dan dat van z’n meeste collega’s. Hij was een Bretoen van dertig, leerkracht in de lagere school, die all the way wou tot Santiago. Plezante vent, een plezier om mee verder te wandelen.

Vanaf de Refuge d’Orrison, een herberg die is opgericht voor pelgrims die zich niet sterk genoeg voelen om de lange doorsteek naar Roncesvalles in één dag te maken, zat het steilste deel van de beklimming erop en klommen we vrij rustig door naar de grens. Nu was het kilometers vreten op het asfalt van de D428, maar er was bijna geen verkeer dus dat viel nog wel mee. Het bus werd dunner, de ronde heuvels werden kaal met honderden schapen. Het deed mij nogal aan Schotland denken. Een mooie gedachte.

Ik was een beetje verrast dat er geen enkele cabane langs de weg stond. Voor de pelgrims is dit de koninginne-etappe, velen beginnen te onvoorbereid aan de tocht en zien hun droom al in deze eerste etappe in rook opgaan. Het is toch bijna 30km en zo’n 1400m klimmen tot Roncesvalles. Vorig jaar kwamen hier nog twee pelgrims om het leven die te laat waren vertrokken en zich hier op hoogte bij valavond lieten verrassen door regen, wind en koude.

Iets voor de Spaanse grens zat het stuk over het asfalt er eindelijk op en liepen we over een erg modderig pad verder naar de Col de Bentarte (1337m) . Hier moesten de pelgrims naar het westen, de GR11 volgen tot in Roncesvalles. Ik moest hier echter van het pelgrimspad af om een stukje GR11 te volgen naar het oosten. Ik nam dus afscheid van m’n Bretoense medewandelaar en enkele andere pelgrims waar ik een woordje mee had gewisseld, vulde mijn waterzak aan een bron naast het pad en liet toen het pad achter mij om de GR11 te volgen in een weiland. Ik zag een beetje op tegen het volgende stuk want het leek erop dat de markering te wensen overliet en door de mist zag ik geen 20 meter ver. Bovendien was dit het enige stukje van de hele tocht waarvan ik geen goeie kaart had ; op de Franse wandelkaart stond Spanje niet ingetekend en voor deze 4km in Spanje had ik het niet de moeite gevonden om een Spaanse kaart te kopen.

Al snel werd het inderdaad onduidelijk toen ik op een afsluiting stuitte. Volgens de kaart moest ik nog heel even in zuid-zuidoostelijke richting vervolgen. Dat betekende rechts afslaan bij de afsluiting. Links afslaan betekende meteen pal oost lopen. Ik twijfelde wat. Ik wist dat dit beschreven stond in de HRP-gids van Ton Joosten maar die had ik uit gewichtsbesparing niet mee, en een hele gids vanbuiten leren is ook niet evident. Ik had de neiging om links te kiezen, en toen kwamen er plots vanop het rechtse paadje vier wandelaars met grote rugzakken opdoemen. Het waren Franse HRP-lopers die de rechtse optie hadden gekozen en terugkeerden omdat dat blijkbaar de foute was. Links dus. Het spoor bleef vaag maar op kompas bereikte ik toch vrij vlot lichtjes dalend de Col d’Arnostéguy (1236m). Hier begon het stuk waarvan ik geen kaart meer had. Gelukkig trok de wolkenbasis nu plots een heel stuk op en was ik dus van de mist verlost. Alles was nu toch een stukske eenvoudiger. Eerst een stuk in OZO-ZO-richting een spoor door het gras gevolgd en dan min of meer à l’improviste door een open weiland met veel varens afgedaald naar een boerderij links onder mij. Best wel een genietbare afdaling met open zicht in oostelijke richting. Bij de boerderij kreeg ik aansluiting op het asfaltwegje naar de Col d’Orgambidé. Er graasden veel paarden in de weilanden links en rechts. Ik stak eerst enkele haarspelden af en klom dan zachtjes door naar de col (988m), waar ik rond 14u15 aankwam.

Op de col had ik een mooi overzicht over het parcours voor de komende uren : de frisgroene berg Errozaté (1345m) met rechts daarvan de Col d’Errozaté (1076m) die ik straks overmoest. Een pad was daar op het eerste zicht niet te bespeuren. Ik nam een lange pauze terwijl ik genoot van het uitzicht. Foto moeten nemen van enkele Spanjaarden die op weg waren naar de Grotte d’Harpéa. Na een halfuurtje sloeg ik ook dat asfaltwegje in maar ik verliet het, zoals Ton Joosten aanraadt, zo’n 300m na een groepje cabanes om à l’improviste te beginnen afdalen door een steil veld naar de Pont de Chubigna.

Ongeloofelijk in welke omstandigheden sommige mensen hier nog leven.
Vader en zijn zoontje van ongeveer 10 jaar, hooi aan het omkeren in de regen voor hun verkrotte huisje (eigelijk niet veel meer dan een schuur) met een dak van verroeste staalplaten. Voor de deur een groene Fiat uit de jaren ’60. Ik voelde me niet helemaal goed toen ik hier met mijn dure uitrusting voorbijliep.

Het was een steile afdaling door het weiland en het was in het lange natte gras opletten om niet onderuit te gaan, maar ik bereikte toch zonder veel problemen de beek en kwam beneden precies aan het brugje uit, rond 15u45. Het was mijn bedoeling geweest om in dit mooie nauwe dal te bivakkeren maar de weinige vlakke plekjes waren dikwijls bezaaid met braamstruiken. Al snel de knoop doorgehakt en besloten om er dan maar een hele lange dag van te maken. Ik voelde me nog sterk genoeg om de klim naar de Col d’Errozaté, die zich als vrij zwaar aankondigde, aan te vatten. Ik werkte wat calorieën binnen, nam een litertje water in de beek en begon rond 16u aan de beklimming.

Eerst liep het pad nog even in stroomafwaartse richting van het beekje. Het was echt een zeer mooi nauw dalletje in de schaduw van de Errozaté en ik vond het jammer hier niet te kunnen bivakkeren. Wat verder draaide het pad naar rechts en begon de echte beklimming. Het spoor vervaagde al snel wat in het lange gras maar het bleef toch wel duidelijk. Eerst had ik nog mooie terugblikken op het dal maar al snel verzeilde ik in de zoveelste regenbui van de tocht en kwam ook de mist terug. Mijn schoenen en kousen raakten stilaan doorweekt van het lopen in het lange gras. Ik klom stevig door en stond na drie kwartier op de col, bij grenspaaltje 221. Ik had na mijn lange tocht van vandaag geen zin meer in gesukkel om in de valleibedding te kunnen wandelen dus nam ik gewoon de weg naar beneden. Het was nog een lange en enerverende afdaling. Geen uitzicht want ik kreeg de 112e regenbui van de tocht over mijn hoofd gekieperd. De 113e kan ook. Het was in elk geval de hevigste van allemaal en met het water klotsend in mijn schoenen liep ik bij momenten luidop vloekend naar beneden.

Van de mooie bivakplekjes die Ton Joosten had beloofd was aanvankelijk bitterweinig te bespeuren. Ik liep dus tot helemaal onderin het dal door en zette de tent recht op een mooi stukje vlakke grond net naast grenspaaltje 224. In de regen de tent rechtgezet, kousen uitgewrongen in de voortent, en daarna gewoon 300g couscous klaargemaakt, met een bouillonblokje om er toch nog een beetje smaak aan te geven. M’n spullen zijn stilaan doorweekt. De lang beloofde weersverbetering lijkt uit te blijven. Een beetje moedeloos. Als het morgenvroeg nog regent zal het huilen mij nader staan dan het lachen.

12/07/2007 : Dag 8 : Onderin Vallée d’Errozaté – Cabane iets voorbij Col Lapatignégagne

  • Vertrek : 9u10
  • Aankomst : 17u50
  • Wandeltijd : 6u05
  • Afstand : 17km
  • Klimmen : 1350m
  • Dalen : 790m

Mijzelf een beetje rust gegund na de lange dag van gisteren.
Pas om 7u30 uit de veren.
Het was een slak die vanaf het dak van de buitentent door een kleine opening in de rits rechts de binnentent kwam binnengevallen die mij in gang deed schieten.
Na middernacht had het niet meer geregend en bij het opstaan waren tussen de overschietende grijze wolken toch ook stukken blauwe lucht te zien. Maar de wolken waren van een vriendelijker soort ; eerder lage flarden die nog door de valleien dreven.
Een gegeven dat meestal een weersverbetering aankondigt.

Mijn startsnelheid was vanochtend werkelijk lamentabel. Pas rond 9u15 stapte ik in mijn doorweekte schoenen.
Het was een hele zware klim à l’improviste naar de Crête d’Urculu. Eerst een stukje schuin rechts langs de helling geklommen, daarna even frontaal omhoog en toen ik op die manier een soort kam bereikte getraverseerd naar een brede droge bedding. In deze bedding was het wat comfortabeler klimmen. Na een klein uurtje bereikte ik op zo’n 1180m een col en waren de grootste moeilijkheden voor vandaag ook alweer van de baan. Vanop de col langzaam verdergeklommen om uiteindelijk langs de noordwestzijde iets onder de crête over een smal spoor te vervolgen richting Occabé.

Het was best wel opletten want dit spoor lag vol schapenstront waar een weekje regen over was gegaan en links ging het behoorlijk steil omlaag. Om de 50m even stoppen om de schoenzolen af te wrijven en het gras was de boodschap om niet de dieperik in de glijden. Het reliëf van de zool was al snel gevuld met de glibberige drek. Terwijl ik dus redelijk geconcentreerd op dit padje liep werd ik plots opgeschrikt door enkele gieren die op nauwelijks 20 meter van mij plotseling opvlogen vanop de crête. Ik kon ze echt in de ogen kijken. Prachtig. En zeggen dat sommigen in het Belgenlandje slachtafval in de weiden gaan kieperen om deze dieren met telescopen te bekijken vanop 200m afstand.

Ik was intussen min of meer boven het wolkendek uitgeklommen en werd nu verwend met prachtige uitzichten op het verzopen groene landschap. In het oosten lonkte voor het eerst de Pic d’Orhy. Mooi zo, het deed mij beseffen dat ik ondanks het slechte weer toch goed gevorderd was richting echte Pyreneeën. Als alles goed gaat sta ik morgen al boven op de eerste 2000-er. Op de laatste col voor de Occabé een aardewegje genomen die mij rechtstreeks door het bos naar de cromlechs zou leiden.
Mooie lichteffecten in het bos dankzij de combinatie van de ochtendzon en nevel die tussen de bomen bleef hangen.
De cromlechs hadden wel iets met de bergen en een stomende wolkenmassa in het dal op de achtergrond. Wat dreef onze voorouders om die enorme stenen hier in het gras te komen leggen?
Fototje genomen en dan door een open grasland doorgeklommen naar de top, waar ik rond twaalven aankwam.

Er stonden 3 tentjes op de top, 2 mannen er 5 kleine kinderen die hier op het gemakje twee dagen op vakantie waren. Een hele lange pauze genomen om met noten, chocolade en koeken mijn energiepeil weer wat te verhogen en intussen al mijn natte spullen te drogen in de warme middagzon. Ook ikzelf zoog de warmte helemaal op terwijl ik op de rotspartijen op de top zat. Een mooie, open top met goed zicht op de Pic d’Orhy en als je op de juiste plaats ging staan ook net het topje van de Pic d’Anie.
Om 13u15 begonnen aan de afdaling naar Iraty. Zo’n 500m bergaf door het bos, daarna was het eventjes over het asfalt doorlopen tot een grote parking bij het stuwmeertje. Een man vroeg mij welke tocht ik ondernam en nam met respect afscheid toen ik dat vertelde. Ik vertrok vrij snel terug en twee klimmetjes van 200m brachten mij naar de Col Bagargui. Allemaal GR10 en dus makkelijke, brede paden. Meestal door het bos dus niet al te veel uitzicht. Enkel het laatste stukje was open over een kleine kam maar de aanblik van de lelijke chalets rond de col verpestte het uitzicht op de groene hellingen rond de Pic d’Orhy en de Pic des Escaliers een beetje.

In het winkeltje bij de col kocht ik middageten voor drie dagen (duur!) en ook een colatje dat ik opdronk op het terras met uitzicht op Vallée de Larrau. Twee mensen die stilletjes maar toch net luid genoeg praten over mijn “odeur randonneur”.
Rond 17u15 dan maar vertrokken. Een beetje een gok want niet zeker om nog een kampplaats met water te vinden. Ik werd beloond voor het nemen van het risico want nu schrijf ik vanaf mijn kampplaats net voorbij de Col Lapatignégagne met een uitzicht op de wereld.

Tent op een terrasje net achter de cabane die iets voorbij de col staat, met een bron op 20 meter voor de cabane. De Pic d’Orhy en het hele massief rond de Pic d’Anie badend in het rode licht van de avondzon. Een betoverend mooie zonsondergang. Alsof de Pyreneeën mij iets terug willen geven na de rotavond van gisteren. Die enorme contrasten, op een tijdspanne van dagen, uren en soms zelfs minuten, maken het trekken voor mij zo verslavend. En solo ervaar ik ze nog veel meer dan in gezelschap. Met de big smile kruip ik over een paar minuten in de slaapzak.

13/07/2007 : Dag 9 : Cbe Col Lapatignégagne – Cayolar d’Olhadubi

  • Vertrek : 7u15
  • Aankomst : 18u00
  • Wandeltijd : 7u00
  • Afstand : 24km
  • Klimmen : 650m
  • Dalen : 1250m

Rond middernacht kwam er plots een stevige bries opzetten. Die werd al snel zelfs zéér stevig. Uit de tent moeten komen om de scheerlijntjes vast te maken want dat had ik gisteravond uit luiheid niet gedaan. Toen was het nog compleet windstil. Zo zat ik daar dus om 2u ’s nachts volledig naakt met een steen piketten in de grond te kloppen. Het was een hele warme wind die vanuit Spanje leek te komen, onder een compleet heldere hemel. Na mijn tocht vertelde Joery, een andere Pyreneeëngek die ik kende vanop hiking.be, dat ik getuige was geweest van een zwakke föhn. Zo zwak vond ik ‘m op dat moment eerlijk gezegd niet, maar een stevige föhn haalt tot 200km/h. Ik werd alweer enorm verrast door de onwaarschijnlijke sterrenhemel hier, ver weg van alle beschaving. Ik werd overdonderd door de aanblik van de melkweg, die hier als een brede band over het firmament lag. Zonder al te veel problemen lokaliseerde ik de Andromedanevel, die je vanuit België zelfs met een verrekijker nauwelijks te zien krijgt. Na een tiental minuutjes met open mond naar boven staren kroop ik terug de tent in om verder te slapen.

Het bleef waaien en van slapen kwam er eigelijk niet veel meer in huis, dus stond ik op vanaf het moment dat het goed licht werd, rond 6u. Het werd een moeilijke inpakoperatie en ik was al lang blij dat mijn tent niet ik het dal lag toen ik rond 7u15 vertrekkensklaar was. De lucht was zeldzaam helder en doorzichtig. Net toen ik op pad ging kwamen de vier HRP-lopers van eergisteren op de Col de Bentarte eraan. Ik wachtte even en liep dan samen met Julien, Julia, Gregory en Carole verder naar de Crête de Millagaté. Daar was de wind onwaarschijnlijk hard. Ik denk dat hij makkelijk een constante snelheid haalde van 80 à 100km/h, met veel hogere uitschieters. In België had ik zoiets in elk geval nog nooit meegemaakt. Rechtdoor lopen was nu onmogelijk geworden.

Meteen besloten dat het in deze omstandigheden onverantwoord was om de crête naar de Pic d’Orhy op te gaan. De vier anderen volgden mijn beslissing. Dan was er nog de vraag hoe we best verder konden. Uiteindelijk kozen we ervoor terug te keren naar de Col Bagargui en vandaar, hetzij via de GR10, hetzij via de weg, af te dalen naar Larrau. Gisteravond had ik nog zitten nadenken of ik mijn route zou nemen die ik op voorhand had uitgestipeld, namelijk na de Orhy afdalen naar Larrau en daarna de canyons verkennen om nabij de Chardekagagna terug de grenskam op te pikken, oftewel de HRP lopen en dus de hele grenskam afwandelen. In de bergen heb je echter soms niet te kiezen ; de canyons zouden het worden en dan nog zonder de Orhy.

We liepen dus terug via de route waarlangs we gekomen waren. Ik maakte ervan gebruik om mijn kompas op te pikken aan de cabane, ik was het er gisteravond blijkbaar vergeten na een rondje kaarthoekmeten.
Getuige geweest hoe de groep van vier uiteenspatte toen één van hen plots wel weer de Orhy opwou, desnoods op handen en voeten. Wat tot een hoogoplopende discussie leidde, de meisjes zagen het duidelijk niet zitten en Gregory, blijkbaar de leider van de groep die gelukkig nog wat gezond verstand bleek te hebben, probeerde ook duidelijk te maken dat een crête in stormweer niet hetzelfde is als gewoon een col oversteken in stormweer.
Dat leek echter niet door te dringen en ze gingen bijna op de vuist.
Na een week is het mijn spijtige vaststelling dat teveel HRP-lopers ziekelijk bezig zijn met het afwerken van een strikt tijdschema en dan nog strikt volgens het voorgeschreven parcours, zonder van het landschap te genieten of eens de uitdaging op te zoeken door een eigen variante te lopen.
Jammer.
Ik liet ze maar verder kibbelen en zag achteromkijkend nog net hoe ze in tegengestelde richting verdergingen.

Op de Col Bagargui koos ik voor de rechtstreekse afdaling naar Larrau. Anders kon het wel eens een heel lange etappe worden aangezien op via de GR10 geen kampeerplekje met water verwachtte voor de Gîte de Logibar. Toch al gauw nog eens 5 à 6 uur stappen en ik had er nu al twee in de benen. De paden die op de Rando Editions 1/50000 staan om enkele haarspelden van de D19 te couperen bestaan niet, of ik heb ze in elk geval niet gevonden. De eerste keer à l’improviste over een brede kam nog op de juiste plaats uitgekomen maar de tweede keer me vastgelopen in een dichte varenvegetatie en rechtsom moeten traverseren om op een haarspeldbocht terug op de weg uit te komen. Even gepauzeerd om te genieten van het uitzicht op de noordflank van de Pic d’Orhy. Daarna maar gewoon via de weg afgedaald tot Larrau. In totaal had het mij ongeveer drie uur gekost vanaf de Col Bagargui.
De saaiste uren van de tocht tot dan toe. Me beklaagd dat ik geen plooifietsje in mijn rugzak had gestoken.

Eenmaal in Larrau was het twaalf uur voorbij en verschrikkelijk warm geworden. Van de stormwind was hier niets meer te merken. Getwijfeld of ik hier de camping zou opzoeken, maar uiteindelijk gekozen voor de korte pijn en via de weg verder afgedaald naar de Gîte de Logibar. De weg was net heraangelegd voor de doortocht van de Tour binnenkort en de kiezels spatten tegen mijn lichaam als de autos voorbijstoven. Toen ik eindelijk helemaal beneden stond, na 15km over het asfalt, kreeg ik te horen dat mijn tent niet naast de gîte mocht, ook niet tegen een kleine vergoeding. Ik mocht enkel binnen slapen. More money in the pocket enal, dat ik student was en een hele Pyreneeënoversteek financiël al belastend genoeg was drong blijkbaar niet door. Duidelijk gemaakt wat ik dacht van deze werkwijze door dan maar gewoon door te stappen en er een lange dag van te maken.

Het was hier helemaal beneden in het dal verschroeiend heet en ik naam ruimschoots de tijd om mijn watervoorraad aan te vullen voor ik aan de klim begon. Gelukkig liep die voor een groot deel door het bos. Minder warm, maar daar tegenover stond wel dat ik geplaagd werd door hele zwermen dazen. Ik mepte er zoveel mogelijk dood maar per dode leken er wel vijf nieuwe bij te komen. De enige methode die een beetje werkte was hard doorstappen en dus stak ik de dagjesmensen allemaal voorbij al klimmend naar de Passerelle d’Holzarté. Dit is een spectaculaire passage over een hangbrugje, bijna 200m boven de Ruissau d’Olhadubi, die zich hier een weg naar beneden heeft gebaand door een indrukwekkende smalle canyon, de Gorges d’Olhadubi. Ook de aangrenzende Gorges d’Holzarté was van hier goed te zien en dus nam ik op het hangbrugje uitgebreid de tijd om foto’s te nemen. Het was een indrukwekkende passage.

Aan de andere kant van het brugje nog even gepauzeerd in de schaduw en wat gebabbeld met enkele Vlaamse dagjesmensen. Ze wouden perse weten hoe mijn tocht verder zou verlopen dus gaf ik het adres van mijn internetblog. Daarna klom ik verder via de GR10-variante om uiteindelijk rustig uit te lopen over een breed en quasi vlak pad aan de zuidwestzijde van de Gorges d’Olhadubi. Rond 18u bereikte ik zo de Cayolar d’Olhadubi. Een klein vlak plekje in het bos was genoeg om mijn binnentent op te zetten. De buitentent had ik niet nodig want het was warm en regen zat er niet aan te komen. Het eerste wat ik deed was poedelnaakt in één van de natuurlijke zwembadjes van de rivier springen en mij wat wassen om eindelijk van die verdomde dazen verlost te zijn. Een bad tussen duizenden kikkervisjes. Daarna rustig gegeten en wat genoten van de avondwarmte ; vanaf morgen wordt het bivakkeren op hoogte en dat is meteen een pak frisser als de zon wegzinkt.
Vroeg in bed om wat slaap in te halen.
Het was een wat geschiedinisloze dag nadat ik van mijn parcours moest afwijken maar het einde maakte toch weeral veel goed.

14/07/2007 : Dag 10 : Cayolar d’Olhadubi – Refugio Beluaga

  • Vertrek : 8u30
  • Aankomst : 14u15
  • Wandeltijd : 4u50
  • Afstand : 18km
  • Klimmen : 1100m
  • Dalen : 480m
  • Extra bergtoppen : Pic Bimbalèta (1750m)

Mijn wekker ging, zoals gewoonlijk, rond 6u30. Ik voelde me nog erg moe en draaide mij nog eens om. Tijd zat en het is en blijft tenslotte vakantie. Uiteindelijk rond 8u30 vertrokken. Het pad dat aan de oostzijde hoog boven de Gorges d’Olhadubi liep kon mij een stuk meer bekoren dan dat aan de andere kant gisternamiddag. Prachtige uitzichten op de verticale rotswanden met aan het eind van het dal de toppen van de grenskam. In het westen bleef de Pic d’Orhy beeldbepalend. Toen ik op een hele brede col terug de GR10 oppikte haalde ik een wandelaar in die ik al een hele tijd in het vizier had. Het bleek een Vlaming te zijn. Hans was zijn naam en hij was bezig aan het vijfjaarlijkse exploot waar hij toestemming voor kreeg van z’n vrouw : de Pyreneeënoversteek via de GR10. De vorige keer was hij vanuit Luxemburg via de GR5 tot Nice gelopen.

Met hem liep ik via de GR10 verder. Eerst was het even klimmen op een brede kam. Onderweg schoot nog een hazelworm voor ons over het pad. Het was de eerste keer dat er dat zag en het had op het eerste zicht meer weg van een klein slangetje dan van een worm. En eigelijk is een hazelworm een soort van hagedis. Ingewikkelde boel. Wat verder kregen we aansluiting op een onverhard weggetje dat een heel eind licht golvend langs de helling liep. Aan een cabane was er een bronnetje waar ik mijn watervoorraad weer aanvulde. Iets verderop begon dan de korte klim naar de Col d’Izeyto. Rond 12u stonden we boven.

Voor GR10-lopers begint hier de afdaling naar Sainte-Engrace. Ik wou echter niet afdalen maar terug de HRP oppikken die ik gisteren noodgedwongen had moeten verlaten. Het was mijn bedoeling om vanaf de col het aardewegje te nemen dat in zuidelijke richting tot de Eskantolha-boerderij liep om van daaruit dan à l’improviste de 250 klimmeters naar de Port de Bimbalèta te overbruggen, waar ik opnieuw op de HRP zou uitkomen. Op de kaart zag het er makkelijk uit maar dit was echt een eigen hersenspinsel dat in geen enkele wandelroute is opgenomen dus was het toch een beetje een vraagteken. Ik schoot enkele kompaskoersen om de juiste route te bepalen, de Port de Bimbalèta is namelijk een nogal onopvallende col gezien iets zuidelijker in Spanje nog enkele hogere toppen van de Sierra de Lapatia oprijzen.

Tot de boerderij had ik uiteraard geen problemen en ook de klim naar de col viel inderdaad heel goed mee. Een stevige klim door een groen landschap doorsneden met enkele kleine rotswandjes. Een spoor was er natuurlijk niet te bekennen maar de route naar de col was nogal straightforward. Boven stond er weeral verschrikkelijk veel wind. Ik zette me neer in het gras om wat te eten omdat rechtstaan te lastig was. Het viel me nu ook weer op welk een enorme bloemenpracht hier te bewonderen was. Daarna pikte ik snel nog de Pic Bimbalèta mee, een klimmetje van niets vanaf de col. Ik werd beloond met een heel mooi uitzicht op het kalksteenmassief rond de Pic d’Anie, terwijl in het westen de Chardekagagna en de Orhy te bewonderen waren. Ik nam enkele foto’s en ging dan naar beneden want door de wind was het niet echt genietbaar op de top.

Ter hoogte van grenspaaltje 254 begon ik vanaf de col af te dalen door een kleine insnijding. Daarna was het een kwestie van het juiste veespoor uit te kiezen om de Pic Bimbalèta langs het zuiden te omtrekken en naar de Port d’Ourdayté af te dalen. Allicht zat ik iets hoger dan het beste spoor want veel pad was er al snel niet meer te bespeuren in het lange gras. Moeilijk was het echter niet en al snel stond ik beneden. Via enkele veepaden nam ik daarna een rechtstreekse route naar een gebouw dat ik al een tijdje zag blinken in de zon en waarvan ik dacht dat het de Refugio Beluaga was. Een geel gemarkeerd pad liet ik daarbij links liggen. Ik bereikte het gebouw rond 14u15. Nu wist ik dat de Refugio Beluaga al enkele jaren om onduidelijke reden dicht was. Nu trof ik hier een legerbasis aan. Dacht dus dat dat de nieuwe bestemming was van het gebouw.
Geen leuke plaats.
Metershoge omheining met rollen prikkeldraad en soldaten met machinegeweren. Een omgeving die schreeuwde met hetgene waar ik al de hele dag doorheen was gelopen.
Bronnetje gezocht en gevonden, iets verder aan de rechterkant van de weg bij het begin van een kleine afgrond. Het duurde 11 minuten om mijn waterzak van drie liter te vullen aan het muizepisstraalke dat hier van de rots kwam gelopen.

Ik had eigelijk geen zin om hier ergens te overnachten maar het was nog een heel stuk naar La-Pierre-St-Martin en ik verwachtte niet om onderweg nog veel water te vinden.
50m verder onder een toeristeninformatiebord de schaduw opgezocht want het was alweer verzengend heet.
Toen ik rond half vijf uit verveling enkele kompaskoersen zat te schieten naar de Lakhoura, die ik morgenvroeg wou beklimmen, begon het te dagen. Ipv pal noord lag de driedubbele top op zo’n 50°.
De kaart nog eens gecheckt, en ik stond inderdaad aan het verkeerde gebouw, allicht de oude douanepost waarvan Ton Joosten in z’n gids melding maakt. Zo’n 2km verder langs de weg stond pas de refuge. Mezelf goed voor het hoofd geslaan.
Rugzak weer ingepakt en na zo’n twintig minuten langs de weg de échte Refugio Beluaga bereikt. Een modern gebouw (uit 1971), maar vuil en verlaten. Alle ingangen waren dichtgemetseld. Door een raampje zag ik nog geopende conservenblikken op tafel. Toch wel vreemd. Alsof men hier in allerijl was moeten vertrekken.
De portiek was wel nog open als noodshelter en ik besloot er mijn matje uit te rollen om zo de tent niet te hoeven opstellen. Ik wil morgenvroeg van de ochtendkoelte gebruik maken om frontaal de Lakhoura te bestormen.

Intussen is het 20u en met het zakken van de zon worden de schaduwen van de bergen langer. In het oosten lonkt de grote kalkstenen wildernis. Hoog op de flanken van de Pic d’Anie nog een sneeuwveldje.
Onweerswolken in de verte.
De echte Pyreneeën kondigen zich aan.
Grijnzend en uitdagend.

15/07/2007 : Dag 11 : Refugio Beluaga – La-Pierre-St-Martin

  • Vertrek : 8u40
  • Aankomst : 12u35
  • Wandeltijd : 3u25
  • Afstand : 12km
  • Klimmen : 700m
  • Dalen : 500m
  • Extra bergtoppen : Pic d’Arlas (2044m)

Slap en futloos vanochtend.
Het plan om de Lakhoura te beklimming liep ik in de loop van de nacht eigelijk al varen.
De wind gierde de hele nacht rond de hut. Nog steeds dezelfde wind als eergisteren aan de Orhy, en nog steeds onder dezelfde strakblauwe hemel.
Pas om 7u45 uit mijn nest geraakt.
Een beetje moeilijkheden gehad om water te vinden. De bron van de hut vond ik niet en het riviertje wat verder was behoorlijk troebel. Dan maar tot boven de weg geklommen en daar naast een soort pompinstallatie water uit het beekje gehaald, hier bleek het wel helder te zijn. Toch nog een tabletje erin want er graasde hier nog steeds veel vee op de hellingen.
Rond 8u40 de weg beginnen afstoempen naar La Pierre-St-Martin.
Toch vreemd dat Veron zo’n route aandoet.

Op de cols stond er nog steeds geweldig veel wind. Zwalpend van links naar rechts over de weg, gelukkig reden de zeldzame auto’s heel langzaam aangezien ook de koeien in grote getale het asfalt opzochten.
Mooie terugblik op de Lakhoura en de hele grenskam tot de Pic d’Orhy.
Wat verder werd volop gebouwd aan een nieuw langlaufcentrum. Een foeilelijk gebouw.
Ergens rond grenspaaltje 258 betrad ik dan plotseling het karstlandschap. Een eenzame en wereldvreemde omgeving. Naaldbomen verspreid tussen en op de grillige witte tot lichtgrijze gekarstifiërde kalkstenen rotspartijen. De wind gierde er tussendoor. Eventjes halt gehouden.

De weg slingerde zich op onnavolgbare wijze verder door deze omgeving richting Col de la Pierre-St-Martin. Daar kwam ik aan om 10u45 en zaten mijn asfaltkilometers erop voor vandaag. De kaasverkoper op de col deed goeie zaken. Na een langere pauze (met kaas) nam ik daarna het pad naar de Pic d’Arlas. Na het wegvallen van de Pic d’Orhy moest en zou dit na elf dagen eindelijk mijn eerste 2000-er worden. Tussen de dagjesmensen (het was zondag en het weekend van quatorze juillet) klom ik eerst rustig naar een col. Daar hield bijna iedereen het gelukkig voor bekeken. Daarna klom ik een stuk linksom over een vriendelijke puinhelling om de noordkam te bereiken, terwijl ik werd nagestaard door de dagjesmensen. Via de kam klom ik steil maar makkelijk naar de top over een wirwar van kleine paadjes.

Ik was alleen op de top. Een mooi, geïsoleerd topje was het. Ik overschouwde de Arres d’Anie, met de Pic d’Anie die de hele omgeving in het oosten domineerde. Naar het westen had ik een terugblik over de hele grenskam tot de Pic d’Orhy. In het noorden lag het skioord met daarachter de grote vlaktes aan de voet van de Pyreneeën. Ik bleef een halfuurtje boven, liet een foto nemen toen twee Spanjaarden bovenkwamen en begon daarna met de vervelende afdaling over de skipiste naar La Pierre-St-Martin. Het was er doods in de zomer.
In een kleine bar/restaurant haalde men meteen de computer boven toen ik vroeg of er ergens internetaansluiting was in het dorpje. Als “wederdienst” at ik er daarna een dagschotel.
Goeie methode van klantenwerving.
Ik volgde met een glaasje wijn in de hand de eerste Alpenrit in de Tour. De zwanenzang van Vinokourov. De sportieve zwanenzang, achteraf gezien.

Toen de koers gedaan was vertrok ik naar de refuge. Buiten kookte ik m’n potje en ik sprak met twee andere HRP-ers af om morgen samen het stuk naar Col des Anies te lopen. Ik was er toch niet helemaal gerust in met het karstdoolhof van de Arres d’Anie in het vooruitzicht. We spraken af om 6u30 te vertrekken. Echt vroeg opstaan dus morgen.
Ik had geen zin om 15 euro te betalen voor de refuge dus rolde ik gewoon mijn matje uit achter een muurtje naast het gebouw boven de refuge. Regenen zal het niet en koud worden evenmin. Ik lag er min of meer beschut voor de nog steeds stevige wind. De wekker zette ik om 5u45.

16/07/2007 : Dag 12 : La Pierre-St-Martin – Lescun

  • Vertrek : 6u40
  • Aankomst : 16u05
  • Wandeltijd : 7u45
  • Afstand : 19km
  • Klimmen : 1050m
  • Dalen : 1860m
  • Extra bergtoppen : Pic d’Anie (2504m)

Behoorlijk goed geslapen onder de blote hemel en de slaapzak uitgekropen om 5u40.
De Pyreneeën hadden vanochtend een mooie verrassing in petto : een mer de nuages lag uitgespreid over Frankrijk. Tijdens mijn ontbijt ontvlamde dan nog eens de hele oostelijke hemel toen de zon de wolken hoger in de troposfeer begon te verlichten.
Het was een fantastische schemering en zonsopkomst en ik zat met de tranen in de ogen bij het bewonderen van zoveel pure schoonheid.
Dit noem ik pas het echte leven.

Rond 6u35 kwamen de twee andere HRP-ers de refuge uitgewandeld. Ze hadden binnen ontbeten en het hele spektakel gemist. Want nu de zon net boven de met mistflarden gedrapeerde bergen begon te piepen verdwenen ook de mooie kleuren. Even later waren we als eersten van alle refuge-gangers op weg.
Al snel werd duidelijk dat het toch niet deze twee mensen waren die me door de Arres d’Anie zouden loodsen. Hun tempo lag heel laag, waarmee ik op zich niet zo’n probleem had, maar ze maakten vooral een bijzonder onzekere indruk waarbij ze om de vijf minuten stopten om luidop de beschrijvingen uit de topo van Veron voor te lezen. Zelfs toen we nog op het wit-rood van de GR10 liepen.

Na een kort klimmetje stootten we ter hoogte van de rotswand van Murlong, die aan onze rechterkant lag, op een wandelboom met afgebroken wegwijzers. Er vertrokken hier twee routes, allebei met rode stippen gemarkeerd. Wij moesten een soort van valleitje induiken naar links. Een hele bijzondere passage. Het karstlandschap op z’n best, een aangrijpende omgeving. Het pad laveerde hier doorheen dit smalle ravijntje tussen karstgaten van soms wel vijf meter diep, waarin hier en daar nog sneeuw te zien was. Toen we de steilere flanken van de Pic du Soum Couy naderden begon het pad langzaamaan in zuidoostelijke richting af te buigen en klom over een puinhelling en enkele rotspartijen langzaam verder naar de Col des Anies. De Pic d’Anie werd hierbij steeds groter en de adrenaline om hem te beklimmen begon stilaan door mijn aderen te stromen. Het zou de eerste grote top van de tocht worden.

Om 9u30 stonden we op de Col des Anies en hier nam ik afscheid van mijn medewandelaars die meteen verder zouden afdalen. Ik vond dat eigelijk nogal onbegrijpelijk, met deze weersomstandigheden was het doodgewoon zonde om een top als deze zomaar voorbij te lopen. Weeral zo’n wandelaars die gewoon een tocht uit de boekjes afhaspelen zonder eens iets extra te willen doen. Ik dacht aan een citaat van Ton Joosten uit z’n HRP-gids : “De HRP volgt een mooi traject, geeft een goede indruk van wat dit gebergte aan natuurschoon heeft te bieden, maar het loont zich ook de moeite om hier en daar een zijsprong te maken. Wie de Pyreneeën écht wil leren kennen, is genoodzaakt regelmatig van de HRP-route af te wijken!”

Ik duwde wat calorieënbommen in mijn mond en begon om 9u45 aan de beklimming. Met rugzak, want het was toch een eindje en ik wou water meenemen naar boven maar had nu nog geen klein dagrugzakske bij (die kwam pas mee met Joris en Goedele, vanaf Lescun) Moeilijk was het allemaal niet ; eerst een grote omtrekkende beweging grotendeels over een puinhelling met een mooi pad langs de westzijde van de berg, om dan over enkele makkelijke rotspartijen (mijn handen heb ik slechts twee keer een beetje nodig gehad, en dan louter ter ondersteuning) naar de hele brede kam te klimmen en daar in zigzag over wat puin naar de top te ploeteren. In totaal een goeie 400m klimmen vanaf de col. Na drie kwartier had ik de klus geklaard. Ik was, tot mijn verrassing, opnieuw helemaal alleen boven.

Het uitzicht was fenomenaal. Plots lagen de hele Pyreneeën in het oosten voor mij uitgespreid. De Balaïtous (3144m), de Pic du Midi d’Ossau (2884m) en de Bisaurin (2668m) herkende ik meteen. Ik was ook vrij zeker in de verte de Vignemale (3298m) te ontwaren. Maar er was nog zoveel meer : Er waren de steile, bleke kalkstenen flanken van de Orgues de Camplong, de gevorkte Billare en de toppen van de Cirque d’Ansabère die in schril contrast stonden met de groene weilanden en bossen beneden in de Cirque de Lescun en het Vallée d’Aspe. Er was de karstwoestijn van de Arres d’Anie, die van hierboven absoluut de aanblik van een maanlandschap had. Er was de terugblik tot eindeloos ver in het groene Baskenland. Maar bovenal was er, voor het eerst, die aanblik van een eindeloze reeks spitse Pyreneeëntoppen die mij toegrijnsden. Het Balaïtous-massief was nog getooid met heel wat witte plukken sneeuw. Ik stond hier echt de ogen uit mijn kop de kijken. Wat een top.

Na een klein halfuurtje begon ik te dalen. Ik had gerust langer op de top willen blijven, maar dieper in de Pyreneeën had ik al de eerste cumulusbewolking gespot en de lucht was ook lang niet meer zo uitgesproken blauw als de vorige dagen, eerder melkwit. Enfin, het zag er allemaal een beetje uit alsof er nog wel eens gedonder kon komen later vanmiddag en dus kon ik maar beter beginnen dalen. Om 11u30 stond ik terug op de col. Na de col wandel je op enkele stappen een totaal ander landschap binnen. Gedaan met de karstgaten links en rechts van het pad ; nu wandelde ik plots in groene weiden gekneld tussen de rotswanden. De bloemenpracht was hier weer enorm en ik spotte mijn eerste Pyreneese irissen.
Het belachelijk kleine Lac d’Anie is een mooie bivakplek voor zij die een waterpompje bezitten. Een grote groene vlakte doorweven met kleine stroompjes, het deed mij wat denken aan de Corsicaanse pozzines. Het uitzicht op het massief rond Pic de Ger mocht ook gezien worden.

Hopeloos gesukkeld op weg naar Cabane de Lacure. Ik kwam op een te hoog veespoor terecht en moest twee keer zeer steil door een weiland afdalen om een lager spoor op te pikken. Ik vreesde namelijk dat ik mij anders ging vastlopen op de steeds steiler wordende hellingen boven de cabane. Vibramzool-afdrukken vertelden mij dat ik lang niet de eerste was die hier in de fout was gegaan. Uiteindelijk had ik het goeie spoor toch te pakken en rondde ik op hoogte de helling om zo in zuidelijke richting naar het Valleé d’Anaye toe te wandelen. De gigantische bergwanden van de Billare maakten een diepe indruk. Wat een kanjer van een berg! Ter hoogte van de Cayolars d’Anaye zat het moeilijkste stuk erop voor vandaag en gooide ik er de rugzak nog even af. Terwijl ik daar zat kwam er een wandelaar naar beneden vanaf de Col d’Anaye. Nog maar de zesde mens die ik zag vandaag, ondanks het ronduit spectaculaire parcours. Hij had er de aartsmoeilijke route van de Refugio Beluaga over de Col d’Anaye opzitten en ging nu nog door tot in Borce, na Lescun nog vier uur over de GR10. Zot! Hij wist mij ook nog heel wat intressants te vertellen over enkele moeilijke passages verderop in mijn tocht.

De lucht was intussen inderdaad regenzwanger geworden en nu en dan was er al wat gemiezer. Ik vertrok dus weer en bereikte na een makkelijke zigzagafdaling door het bos het grote Plateau de Sanchèse. Na het verdwijnen van de dagjesmensen moet dit, onder honderden meters hoge verticale rotswanden en met twee idyllische watervallen, een heerlijke bivakplek zijn. Ik wou echter meteen doorlopen tot Lescun zodat ik morgen een echte rustdag had in afwachting van Joris en Goedele. Het was nog een uurtje over het asfalt tot Lescun. Het decor, groene weilanden met in de diepte het Vallée d’Aspe en daarachter de bergen, kon ik best nog wel smaken maar de vermoeidheid begon nu toch stilaan te wegen. Het was al een lange dag geweest. Gelukkig trok het nu weer helemaal open zodat ik mij over regen geen zorgen meer hoefde te maken.

Na een klein uur vanaf Plateau de Sanchèse bereikte ik dan rond 16u Lescun. Het was een prachtig dorpje dat zijn titel “mooiste dorp van de Pyreneneeën” meer dan waard was. Niet alleen was er het kader, in het groen aan de voet van de indrukwekkende toppen van de Cirque de Lescun, maar er was ook het doolhof aan kleine straatjes en de uniforme 19e eeuwse bouwstijl van de huizen. En vooral : dit plekje leek nog niet ten prooi te zijn gevallen aan het massatoerisme. Het was stil in de straten en het klateren van de vele fontaines had een rustgevend karakter. Ik liep een beetje rond en ging dan naar het terras van de gîte een pintje drinken in de warme namiddagzon. Ik had er wel recht op : het eerste grote luik van mijn tocht zat erop, en op de eerste dagen na kon ik zeggen dat ik het met glans had doorstaan. En daarenboven was ik niet ontevreden dat het vriendelijke Baskenland nu eindelijk plaats ruimde voor de échte Pyreneeën, dat had ik wel duidelijk gezien vanop de Pic d’Anie.

Om 17u ging het winkeltje in het dorp open en deed ik wat inkopen voor mijn rustdag van morgen. Van die rustdag wou ik gebruik maken om mijn energiereserves weer wat verder aan te vullen.
Daarna kreeg ik een lift naar de camping iets lager in het dal. Dat bespaarde mij toch een halfuur vervelende asfalt.
Een beetje tot mijn verbazing kwam ik Joris en Goedele al tegen op de camping. We hadden pas morgenavond afgesproken maar zij kwamen hier hun spullen afzetten en reden morgen met de auto naar Gavarnie om die daar achter te laten voor wanneer ze binnen twee weken hun tocht erop hadden zitten.
We maakten er een gezellige avond van en er werd voor mij een heerlijke maaltijd klaargemaakt.
Toch speciaal om elkaar midden in de bergen tegen te komen na al meer dan 200km en anderhalve Everest erop te hebben zitten.
Op voorhand een gok, nu stond ik daar bitter weinig bij stil.
Het deed mij wel beseffen : alles loopt naar wens.

Conclusie

Dit is een ronduit prachtige tocht door één van de meest ongerepte en minst bezochte stukken van de hele Pyreneeën. Ze volgt dikwijls de hoogste delen van het reliëf en biedt eindeloze vergezichten over het Baskenland. De wandelaar wordt afwisselend geconfronteerd met diepe valleien en grandiose uitzichten vanop de bergtoppen. Op het einde van de tocht wordt het echte gebergte betreden. De beklimming van de Pic d’Anie is een absolute must voor diegenen die op het einde nog wat over hebben.

Hoewel ze geen enkele technische strook bevat, mag deze tocht onder geen beding onderschat worden. Louter fysiek is het volgens mij zelfs een van de zwaardere stukken van de hele oversteek. Nu en dan moet urenlang over totaal ongebaand terrein worden gelopen. De beklimming vanuit het Vallée d’Errozaté naar de Crête d’Urculu vond ik fysiek de zwaarste van de hele Pyreneeënoversteek. Goeie kennis van kaart en kompas is onontbeerlijk om bij mist zijn weg te vinden.

Tent is noodzakelijk voor het volbrengen van deze tocht. Gîtes zijn er enkel op Col Bagargui, Larrau, Logibar, La-Pierre-St-Martin.
Etenswaar kan ingeslaan worden op de Col Bagargui (beperkt assortiment), in Larrau en mogelijks ook in Laou-Pierre-St-Martin (zeer beperkt). Hou rekening met de siësta.

Saint-Jean-Pied-de-Port is bereikbaar met de trein. Lescun is niet bereikbaar met openbaar vervoer. Er zijn bussen en treinen tot Urdos, wat lager in het dal.

Deze tocht kan minstens gelopen worden van eind april tot oktober. Enkel de laatste etappe naar Lescun zal men sneeuw vinden tot een eind in juni. De tocht wordt dan beter beeïndigd in La-Pierre-St-Martin.
De mooiste maanden lijken mij mei en juni, wanneer de bloemenpracht op haar best is.

Reacties

Niemand heeft gereageerd tot nu toe.


U bent aan het woord

Naam:

Email:

Locatie:

Website:

Onthou mijn gegevens

Hou me op de hoogte van verdere reacties?

Lokatie

  • Beschrijving

    In de buurt van de Frans-Spaanse grens, Baskenland, Westelijke Pyreneeën.

  • Geschatte totale afstand
    121km, 6700m klimmen
  • Kaarten

    Cartes de Randonnées Rando Editions 1/50000 : nr.2 Pays Basque Est

  • GPS coordinaten vertrekpunt
    43.16362 (lat), -1.237335 (lng)

Steekkaart

  • Deelnemers
    Solo
  • Reisdatum
    van 11 juli tot 16 juli 2007
  • Moeilijkheidsgraad
    Heel goede conditie vereist. Geen technische moeilijkheden..
Wie bent u?
Aanmelden | Registreren

Copyright © 2008 Hiking-info.net | .
Niets mag gekopieerd worden zonder voorafgaande toestemming van de respectieve maker of auteur.
Alle rechten voorbehouden.